home >> artikelen
   
 Een Viking in Aardenburg. (Oplichter en/of slachtoffer?) (2020)  
 Scheepsresten in de Zwaakse Weel (2019)  
 Een weekloon in het riool (2019)  
 Walichrum, een vroegmiddeleeuwse handelsnederzetting op Walcheren (2019)  
Middeleeuwse muntslag in Zeeland (2019)  
Verborgen verleden van Noord-Beveland  (deel 2) (2019)  
Verborgen verleden van Noord-Beveland  (deel 1) (2019)  
Aansluiting Werkgroep Archeologie Zundert bij de afd. Zeeland (2019)  
Grondradaronderzoek Sandenburch (2019)  
Activiteitenverslag 2018 Stichting Stadsarcheologie Steenbergen (2019)  
Activiteiten van de Werkgroep Archeologie Halsteren (2019)  
Jaarverslag 2018 Werkgroep Archeologie Hulst (WAH) (2019)  
Jaaroverzicht AWN-Zeeland 2018 (2019)  
   
Archie  
 
Een Viking in Aardenburg. (Oplichter en/of slachtoffer?)
   

- Een "nepzilver" schat uit Aardenburg!

 

- Een in de vikingkunst unieke "Odin als Master of Animals" - hanger!

- Het "Eyrarland" raadsel na 200 jaar opgelost! 

 
   

In 2008 vonden er in Aardenburg rioleringswerkzaamheden plaats. De werkzaamheden werden archeologisch begeleid door archeoloog Senne Diependaele, geassisteerd door een helper met een metaaldetector.

Ondergetekende zocht op het stort te Oostburg de aangevoerde grond eveneens af met een metaaldetector. De vondsten maakten destijds weinig indruk, iets wat vooral te maken had met de op dat moment geldende persoonlijke voorkeuren en minder goede ervaringen met sommige archeologen betreffende het determineren van vondsten. Veel van het gevonden materiaal was in een slechte staat. Aardenburg is archeologisch gezien een interessante plaats. Er werden op het stort meer dan 200 objecten gevonden (Romeins t/m modern). Deze vondsten zijn dus zijn gemist in de rioleringssleuf! Senne Diependaele is eenmaal op het stort geweest, andere archeologen heb ik daar niet gezien. Na het voltooien van de rioleringswerkzaamheden is mij nooit gevraagd naar eventuele andere vondsten van dit stort. Een mogelijke reden hiervoor is te lezen in het artikel: " Oh nee, een schat! - Praktijk, problemen en oplossingen rondom schatvondsten" door Anton Cruysheer en Stijn Heeren in Archeologie in Nederland, jaargang 4, nr. 1, maart 2020 op blz. 25: (begin citaat)...Een ander groot probleem is de commercialisering van de (Malta-)archeologie. In de praktijk wordt metaaldetectie bij archeologisch onderzoek niet of nauwelijks aangeboden aan opdrachtgevers, omdat deze inzet een prijsverhogend effect heeft. Het gaat hierbij niet alleen om de detectie zelf, ook de hieruit voortkomende schoonmaakkosten, conserveringskosten, onderzoekskosten en deponeringskosten (bij een archeologisch depot) drijven de prijs voor archeologisch onderzoek sterk op. Het gevolg is dat bij regulier veldwerk maar in heel weinig gevallen intensief gebruik wordt gemaakt van metaaldetectors. Daardoor is de kans op munt- of schatvondsten bijna nihil. (einde citaat).

Afb. 2. laat slechts een klein deel van de stortvondsten zien. De artefacten op onderstaande foto werden pas op 27 september 2019 in hun huidige samenhang herkend, waarover later meer. In het kort de vondstomstandigheden: in Aardenburg werd de grond door de graafmachine afgeschraapt en in de bak van een vrachtwagen gedeponeerd. Eventuele ‘gesloten’ vondsten vallen dan, indien niet in b.v. een pot of ander materiaal verpakt, uit elkaar. Op het stort vallen bij het lossen de vondsten weer verder uit elkaar. Een deel van de vikingvondsten was afkomstig uit één vrachtwagenlading grond. De vinder werkt afhankelijk van het gevonden materiaal al dan niet de grond met de schop verder uit elkaar, uiteindelijk worden de hopen grond door een machine geëgaliseerd. Al met al worden eventueel aanwezige artefacten steeds verder verspreid. De Aardenburgse vikingvondst kan door zijn aard en de vondstomstandigheden als een gesloten vondst worden beschouwd. Afb. 3. toont het merendeel van de vikingvondsten.



Afb. 1. De originele Odinhanger met in zilver en goud uitgevoerde afgietsels.
Foto: J. Weij.

 



Afb. 2. Een selectie uit de vele stortvondsten. Foto: J. Weij.




Afb. 3. De Odinhanger en het “nepzilver”. Foto: J. Weij.




Afb. 4. Het Aardenburgse rozetstempel tezamen met het keramische
Islamitische rozetstempel (11e/12e eeuw).
Bron: Ceramics from Islamic Lands (Oliver Watson, Thames & Hudson, 2004).


Afb. 5. Rozetstempel uit Aardenburg.
Foto: J. Weij.




Afb. 6. Jonge en oude vrouw.
Bron: W.E. Hill, 1915, Wikimedia Commons (CC-PD




Afb. 7. Odin-hanger en Thor-hamer/knotshanger, 42 en 28 mm hoog.
Bron: Collectie J. Weij


.

Afb. 8. Detail houtsnijwerk Oseberg-wagen.
Bron: Kulturhistorisk Museum, Oslo/UiO/CC-BY-SA 4.0/Ove Holst.




Afb. 9. Tekening Odin-hanger en het Eyrarlandbeeldje.
Bron: Tekening J. Weij / Foto Wikipedia, CC BY-SA 3.0 / Wolfgang Sauber.




Afb. 10. Een kopie van het Foss-kruis. Bron: Gunnar Creutz - PD.




Afb. 11. Detail van het Eyrarlandbeeldje.
Foto: Wikipedia, CCBY-SA 3.0/Wolfgang Sauber.




Afb. 12. Een Odin-hanger uit Rusland met gestileerde dieren (draken?).
Photo courtesy National Museum of Ireland.




Afb. 13. Tully Lough ornament, 40 mm hoog.
National Museum of Ireland/cushnieent.force9.co.uk


 
hanger: 42 mm - 9,1 gr. riemeind: 53 mm - 10,0 gr.
pseudomunt: 38 mm - 7,3 gr. "Rosette"stempel: 37 mm - 28,7 gr.
kettingfragment: 94 mm - 2,7 gr. kettingfragment: 27 mm - 0,6 gr.
bloem: 16 mm - 1,7 gr. muntplaatje: 20 mm - 1,0 gr.
staafjes: 48/43 mm - 3,9 gr. metaalfragment: 21 mm - 1,6 gr
 

De kettingfragmenten en de staafjes deden in 2008 denken aan ‘hakzilver’. Het nu als Odinhanger herkende voorwerp werd in 2008 niet als zodanig herkend en bleef in de jaren daarna een compleet raadsel. Er werden ook twee in elkaar gedraaide stukjes draad gevonden die er qua patina en lengte hetzelfde uitzagen als de op de foto afgebeelde staafjes. Omdat ze gedeeltelijk in elkaar waren gedraaid was de gedachte dat het mogelijk om hakzilver zou gaan voor de hand liggend. Het object werd daarom later door de lokale edelsmid getest op zilvergehalte. Het bleek geen zilver te zijn en is weggegooid. De objecten werden met de andere vondsten van het stort in een la opgeborgen. Pas in september 2019 werd de hanger herkend als zijnde de god Odin die twee draken bij de nek vastgrijpt, dus 11 jaar na het vinden! Het daagde snel dat het vermoeden uit 2008, dat er hakzilver was gevonden, toch een grond van waarheid kon bevatten.

De veronderstelde vikingschat werd gemeld bij archeoloog Senne Diependaele met de vraag of er in 2008 vikingmateriaal was gevonden. Dit werd ontkennend beantwoord: al het gevonden materiaal werd nooit verder onderzocht en ligt dus al 11 jaar onaangeroerd ergens opgeslagen! (zie bovenstaand citaat: ” Oh nee, een schat!“) De vondst is als mogelijke vikingschat gemeld bij het RMO-Leiden (Annemarieke Willemsen, curator middeleeuwen). In een telefonisch gesprek liet zij weten, afgaande op de foto, niet direct vikingmateriaal te herkennen en adviseerde de vondst te melden bij het PAN, (melding is op 15 maart 2020 gedaan en leverde een enthousiaste reactie op). Annemarieke Willemsen heeft na gevraagde en gekregen toestemming de vondst eveneens gemeld aan Nelleke IJssennagger, deskundige betreffende de vikingperiode (heeft niet gereageerd). De gemeente Sluis werd in de persoon van Arco Willeboordse op de hoogte gebracht.

Senne Diependaele heeft archeoloog Pieterjan Deckers (VUB-Brussel) bovenstaande foto toegezonden. Deze liet weten de hanger erg interessant te vinden en mogelijk te dateren als 11e-eeuw, z.i. mogelijk een versiering van paardentuig (heeft daarna niet meer gereageerd).

Verder onderzoek door ondergetekende heeft echter tot verrassende conclusies geleid.
Alle stortvondsten uit 2008 werden nauwkeurig bekeken en datgene geselecteerd wat op het eerste gezicht aan het criterium (hak)zilver voldeed. Het lag voor de hand dat er een XRF-analyse (röntgenfluorescentie) moest worden gedaan. Dit onderzoek vond plaats in Zwolle op 12 december 2019. Een XRF-analyse geeft alleen uitslagen van die elementen welke zich aan de oppervlakte van een voorwerp bevinden, de gevonden waarden worden in het algemeen geaccepteerd als zijnde betrouwbaar genoeg om het gehalte aan metalen vast te stellen van- nogmaals- de oppervlakte van het object. De kern van een voorwerp wordt dus niet gemeten. 
Onderstaande uitslagen laten zien of een voorwerp 1-, 2- of 3 maal is getest. Indien een te testen voorwerp op b.v. tien verschillende plaatsen wordt gemeten dan zijn in principe tien verschillende waarden te verwachten waarvan dan het gemiddelde een acceptabele uitslag geeft. Het riemeind geeft als enige object een waarde voor goud Au 0,1 aan, hetgeen er op kan wijzen dat het voorwerp mogelijk verguld is geweest. De vetgedrukte elementen geven een interessante gidswaarde aan:

 
Odinhanger: is een koperlegering, er is geen XRF-analyse op gedaan
riemeinde: Au 0,1/-  Cu 0,6/5,05  Sn 69,02/69,8  Pb 27,64/23,35  FE 0,4/-  Cr 0,3/-
Ir -/0,5  Bi 1,33/1,25  Mn 0,1/-  Cd 0,2/-
valse munt: Sn 62,6/63,22  Pb 35,01/34,32  Sb 2,4/2,46
stempel: Sn 16,93/16,28/26,3  Pb 66,87/83,72/71,64  Bi -/-/2,06  Ca 16,19/-/-
ketting groot: Cu 4,64  Sn 83,94  Pb 3,35  Fe 6,67
ketting klein: Sn 95,88/94,75  Pb 4,12/5,25
bloem: Sn 84,55/95,51  Pb 0,7/0,59  Ca 14,73/3,9
muntplaatje: Ag 81,7/82,3  Cu 16,7/16,3  Pb 1,65/1,45  ZILVER
staafjes: Zn 94,6/93,4  Pb 5,21/6,36
metaalfragment: Fe 67,59/67,82  Cr 18,48/18,36  Ni 11,7/11,52  Mo 2,23/2,3  RVS
 

De uitslagen werden in eerste instantie als teleurstellend ervaren omdat er, behalve het muntplaatje, geen zilver werd aangetoond. Munten uit de vikingperiode worden als gedevalueerd gezien indien het zilvergehalte beneden de 90% ligt. Dat de Aardenburgse vikingvondst 11 jaar onopgemerkt is gebleven moet bij nader inzien als een geluk bij een ongeluk worden beschouwd. Er verscheen namelijk in 2016 een boek met daarin waardevolle informatie bij het determineren van de Aardenburgse vikingvondst: Silver and the Silver Economy at Hedeby. (Raw Materials, Innovation, Technology of Ancient Cultures), door Stephan William Merkel, VML Verlag Marie Leidorf, Bochum 2016.

In Appendix H van dit boek Elemental and Lead Isotope Analysis of Lead, Tin, and Refining Debris from Hedeby beschrijft Merkel de onderzoeksresultaten van 23 lood/tin objecten uit Hedeby. Hij haalt Ansprach (2010) aan en legt uit dat de relatie tussen metalen als lood en tin ten opzichte van kostbare metalen als goud en zilver ingewikkeld en complex is. Het gebruik van lood en tin voor sieraden kan een (goedkoper) alternatief zijn t.o.v. het gebruik van meer kostbare metalen.

Uit de haven van Hedeby (8e-11e eeuwse Vikingnederzetting) zijn 10 valse dirhams bekend waarvan tin het hoofdbestanddeel is. Dit kan volgens de auteurs geen toeval zijn want tin lijkt qua kleur het meest op zilver. Volgens Merkel lijken kenmerkende vormen van veel loden en tinnen voorwerpen er op te wijzen dat er bij de vikingen een metallurgisch ambacht moet hebben bestaan, gespecialiseerd in het gieten en bewerken van lood/tin voorwerpen. De 10 valse dirhams uit de haven van Hedeby bestaan uit 70-90% tin en 10-30% lood legeringen. Ze zijn mogelijk gebruikt om handelspartners te bedriegen.

In Die Wikinger (uitgave Historisches Museum der Pfalz, Speyer, 2008) staat een foto van een valse dirham: tin, diam. 21 mm, uit Staraja Ladoga, Rusland, 9e eeuw, met de opmerking; een groot aantal vervalste dirhams kwam uit het Chasarische Rijk naar Rusland.

Een aantal van de Aardenburgse vikingvondsten vertoont qua legering een opvallende overeenkomst met de valse dirhams uit Hedeby. In veel studies betreffende vikingschatten wordt gewezen op sporen die wijzen op het testen van zilver. Er is dan sprake van krassen, insnijden, buigen en brekenvan munten en voorwerpen. Dit was blijkbaar een gangbare maar vooral noodzakelijke praktijk! Veelzeggend is wat Ingrid Gustin in Trade en trust in the Baltic Sea Area during the Viking Age te berde brengt: "De IJslandse saga's en de antropologie laten zien dat kopen en verkopen als een hoogst delicate en vijandige onderneming werd gezien. Kopen en verkopen was iets wat je deed met mensen die sociaal en geograpisch voldoende afstand tot elkaar hadden. Vriendschapsbanden werden geacht niet aan de druk van handelspraktijken te moeten worden blootgesteld. Uit Birka, Hedeby en andere plaatsen zijn voorbeelden bekend van niet uit zilver bestaande munten en voorwerpen waar mogelijk mee betaald en/of geruild werd.”
Alhoewel handelaars in principe door regels en wetten bescherming genoten in die plaatsen waar gehandeld werd, zal er ongetwijfeld met vals geld zijn betaald. Indien we mogen aannemen dat met 1 gram zilver 10 kippen konden worden gekocht, (blz. 144, Vikingen! Overvallen in het stroomgebied van Rijn en Maas, 800-1000, Annemarieke Willemsen, 2004), dan is het duidelijk dat "nepgeldhandel" een lucratieve bezigheid kon zijn. 
Van een losse vondst (een voorwerp bestaande uit lood/tin of ander metaal) kan in het kader van de Scandinavische gewichtsgeldeconomie dus NOOIT worden vastgesteld dat het als betaalmiddel heeft gediend. De Aardenburgse vikingvondst voldoet juist door de aanwezigheid van de valse munt aan wat een ‘nepzilverschat’ mag worden genoemd.

 
De Aardenburgse vikingvondst is een ‘nepzilver’ vikingschat
 

Het RVS metaalfragment hoort door haar samenstelling niet in de vikingperiode thuis maar moet worden beschouwd als een ‘vervuilende’ vondst. Hetzelfde fenomeen wordt ook door Merkel beschreven waar materiaal uit Hedeby qua analyse als mogelijk afkomstig uit WO-II wordt beschouwd. De rioleringssleuf in Aardenburg was metersdiep en leverde materiaal op daterend van Romeins tot modern. Er is op het stort geen mogelijk bij de vondst behorend aardewerk of anderszins als verpakking te beschouwen materiaal gevonden. Het RVS metaalfragment toont twee als met een mes gemaakte snijvlakken welke daardoor sterk doen denken aan hakzilver.

Bij riemeind en stempel is het element Bi (bismuth) aangetroffen. Aanwezigheid van bismuth (Merkel) is een bewijs dat materiaal en/of voorwerp afkomstig zijn uit Centraal-Azië en/of Afghanistan. Het riemeind vertoont typische vikingstijl-kenmerken en zal zeker niet in laatstgenoemde streken zijn vervaardigd. De metalen waaruit het riemeind is vervaardigd komen daar wel geheel/gedeeltelijk vandaan.Opmerkelijk is de aanwezigheid van een klein stukje leer van de riem waar het riemeind aan bevestigd was. Dit biedt eventueel de mogelijkheid tot een exacte datering.

Het stempel is in tegenstelling tot het riemeind qua vorm en decoratie duidelijk een islamitisch object; het beeldvlak laat een rozet zien. De vorm van dit object is doorslaggevend voor de islamitische toewijzing. De rozet is namelijk een oeroud symbool voor de zon en een onheilafwerend symbool. Illustratief voor de valkuilen welke zich kunnen voordoen bij het determineren zijn twee andere op het stort gevonden voorwerpen met een rozet: nl. een platgedrukte tinnen pelgrimsampul (einde tweede helft 14e eeuw) met op een zijde een zesbladige rozet en op de andere zijde een wapenschild. Eveneens opmerkelijk is een tin/lood dekseltje (diam. 74 mm, eind 14e/begin 15e eeuw) van mogelijk een steengoedkruik met op de bovenkant handmatig ingekrast een canonieke (de misuren aangevend) zonnewijzer waarvan de schaduwgever (gnomon) is gegoten. De binnenzijde van dit dekseltje laat ook een zesbladige rozet en dus een zonnesymbool zien. Deze canonieke zonnewijzer is een van de weinig voorkomende middeleeuwse zonnewijzers uit Nederland! Ook nadat de kruik onbruikbaar was geworden kon het dekseltje nog steeds als een draagbare zonnewijzer dienst doen. De Sint-Baafskerk in Aardenburg kreeg in 1397 een torenuurwerk, maar zonnewijzers deden nog langere tijd dienst ter controle van de juiste (zonne)tijd.

In het boek Ceramics from Islamic Lands, (Oliver Watson, Thames & Hudson, 2004), zijn aardewerkstempels met de afbeelding van een rozet te zien, blz. 151. De volgende foto toont een redelijk goed bewaard exemplaar van een dergelijk stempel. Dit is er een van in totaal 7 afgebeelde exemplaren. Ze worden in het boek beschreven als:

Stamps 
Unglazed earthenware, with relief decoration 
Eastern Iranian world; 11th-12th century 
Reportedly from Ghazni, Afghanistan Grootste; max.; 70 mm x 32,2 mm

Oliver Watson schrijft dat deze stempels mogelijk als voorbeeld voor metalen stempels hebben gediend. Het Aardenburgse stempel levert hiervoor het bewijs! Zie afb. 4 en 5.

De overeenkomst met het Aardenburgse stempel is onmiskenbaar. Een vroeg-islamitische rozetstempel uit Nederland is mij niet bekend! Indrukken van dergelijke stempels komen voor op ongeglazuurd aardewerk uit de vroeg-islamitische periode (8e-12e eeuw). Het stempel is via de toenmalige viking-handelsroutes uiteindelijk in Aardenburg terecht gekomen. Blijkbaar werd het door iemand al in de plaats van herkomst mogelijk voor zilver aangezien en/of aangeboden.

De pseudomunt lijkt niet op een munt zoals wij die in het algemeen kennen. Het heeft volgens Annemarieke Willemsen op het eerste gezicht iets weg van een middeleeuws tinnen speelgoedbordje. Ik heb haar alsnog een foto gestuurd waarop duidelijk is te zien dat het geen bordje of kinderspeelgoed is (ook hier is helaas niet meer op gerageerd). In 2008 werd ook gedacht aan een dekseltje maar er is niets van een scharnierbevestiging te zien. In september 2019 werd snel duidelijk wat het wel was. In de Vikingschat Westerklief II, gevonden in de gemeente Wieringen, bevindt zich een Arabische munt zonder opschrift, maar versierd met 2 cirkels, (no. 85), diam. 25 mm, gewicht 26,07 gr., datering 844-869, mogelijk afkomstig uit Samarkand. Op de Aardenburgse pseudomunt is een gesloten cirkel en een uit puntjes bestaande cirkel zichtbaar. Ook is er een op een muntrand gelijkende versiering te zien. De achterkant is blanco maar vertoont gietpuntjes zoals ook te zien is op sommige exemplaren uit de ‘Westerklief II’ schat. Het Aardenburgse exemplaar is niet geslagen, maar net als de valse Hedeby-dirhams gegoten en beduidend groter en zwaarder dan de eerder genoemde no. 85. De Aardenburgse ‘munt’ is mogelijk in Denemarken vervaardigd.

De kettingfragmenten doen direct aan hakzilver denken. Zeer kleine stukjes zilver van zelfs minder dan 1 gram deden in de gewichtsgeld-economie van de Vikingen dienst als betaalmiddel. Het langste kettingfragment toont een klein gehamerd oogje.

De bloem met een punt aan onderkant ter bevestiging. Alhoewel de bloem er op het eerste gezicht niet als een viking-ontwerp uitziet, zijn er op een van de Osebergschip-dierposten zilveren bloemen aangebracht. Datering van deze zgn. dierposten ongeveer 834 na Chr. De onderkant van de bloem laat mogelijke testsporen zien.

Het muntplaatje laat zien dat Merkel gelijk heeft met zijn opmerking dat het verschil in kleur tussen zilveren en niet-zilveren voorwerpen, zeker voor een leek, niet is te zien. Bij het gedeeltelijk reinigen van de vondsten bleek de samenstelling buitengewoon hard: geen op het oog zichtbare krasjes na reinigen met staalwol en schuurmiddel!

 
De Odinhanger
 

De hanger is iconografisch en kunst- en cultuurhistorisch gezien een uitermate belangrijk voorwerp. Het is niet voor iedereen op het eerste gezicht duidelijk wat de hanger voorstelt. Met de kennis van nu lijkt het onvoorstelbaar dat er in 2008 en de 11 jaar daarna geen enkel lichtje ging branden. De hanger is door een aantal mensen gezien en niemand herkende wat het voorstelt. Daarom onderstaande beroemde tekening waarin men een jonge en oude vrouw ziet. De tekening fungeerde als test voor bezoekers die de hanger te zien kregen en de voorstelling niet herkenden. Je gaat het pas zien als je het doorhebt! Zie afb. 6.

De Aardenburgse Odinhanger bestaat uit een koperlegering. Er is geen XRF-analyse gedaan. Vikingen en zilver gaf de doorslag om alleen de zilverachtige vondsten te testen. De hanger is door de koperlegering afwijkend van de andere voorwerpen. Het stelt de god Odin voor als Master of Animals. Het Master of Animals-motief komt al voor in het 4e millennium voor Chr. Het boek The Master of Animals in Old World Iconography, (edited by Derek B. Counts and Bettina Arnold, Budapest 2010), is volledig hieraan gewijd. Dit motief is niet iets wat men verwacht te vinden in de Aardenburgse bodem. In het boek Zum Problem der Deutung frühmittelalterlicher Bildinhalte (Hg. Helmut Roth, Jan Thorbeck Verlag Sigmaringen 1986), wordt slechts een keer geschreven over een Mistress of Animals.

Mensen en/of goden op vikinghangers komen sporadisch voor. De stijlkenmerken van de Odinhanger komen het meest overeen met de Oseberg/Broa stijl: een vergaande stilering en het ‘gripping-beast’ motief. Er is in de literatuur nog steeds geen duidelijk onderscheid tussen beide stijlen te vinden. Het Oseberg-grafschip geeft de meeste aanknopingspunten: op een van de planken van de Oseberg-wagen is een man in gevecht met slangen te zien. Hij heeft erg uit elkaar staande benen en grijpt twee slangen onder de kop vast. In de Broa-stijl wordt dan vooral gewezen op het grijpen dóór de dieren. De Odinhanger laat zowel het grijpen van Odin door de draken als het grijpen van de draken door Odin zien. Op de zwaardgreep van het beroemde Steinsvik-zwaard uit Noorwegen vallen de sterk gestileerde dieren op; de overeenkomst met de Odinhanger is onmiskenbaar. De datering van Oseberg en Steinsvik is eerste helft 9e-eeuw.

De Thorhamer/knots werd pas onlangs herkend dankzij een bijna identiek exemplaar uit Nottinghamshire. (British Artefacts, Volume 2 - Middle Saxon & Viking, 2010, by Brett Hammond, blz. 58.) Twee vikinggoden gerepresenteerd door hangers uit één vondst zijn mij uit Nederland en elders niet bekend. In Germaanse vrouwengraven zijn uit been gesneden amuletten in de vorm van een knots gevonden die doen denken aan onze hanger. Men neemt aan dat deze amuletten via de Romeinse "herculesknots" en Germaanse mythologie voorlopers zijn van de typische viking Thorhamers. De Aardenburgse Thorhamerhanger wijst evenals de Odinhanger op een vroeg 9e-eeuwse datering. Het bovendeel is een gestileerde hamer gecombineerd met de knots van Hercules. Opvallend is dat de ogen van beide hangers ver zijn uitgesleten, wat er in sterke mate op wijst dat de hangers door een en dezelfde persoon gedurende langere tijd zijn gedragen. Dat beide hangers versiering van paardentuig zouden zijn is nergens uit op te maken. Meer informatie over Thorhamers is te vinden in Hamarinn Mjollnir, The Eitri database and the evolution of the Hammer Symbol in Old Norse Mythology by Katherine Suzanne Beard, Reykjavik. May 6th, 2019.

Op het beroemde Angelsaksische "Sutton Hoo Purse Lid" uit de vroege 7e eeuw n.Chr. (British Museum) komt het Master of Animals-motief twee maal voor. Het staat samen met de Aardenburgse hanger in een al duizenden jaren bestaande traditie.

Er is echter een opvallend verschil te zien tussen de Sutton Hoo afbeelding en de Aardenburgse hanger. Een typisch kenmerk van de bekende Master of Animals motieven is dat de figuur twee dieren bij de nek vasthoudt of vastgrijpt. De Sutton Hoo figuur (is niet Odin) grijpt de dieren echter niet bij de nek maar heeft de handen op zijn schouders geplaatst. Dit gebaar maakt daardoor een vreedzamere indruk. De afgebeelde dieren zijn mogelijk honden. Dit in tegenstelling tot de Aardenburgse hanger waar de figuur twee draken bij de nek vastgrijpt. Dit is bedwingen in plaats van vreedzaam samenzijn!

De Viking/Germaanse mythologie is bijzonder ingewikkeld, maar wordt gekenmerkt door de begrippen Chaos-Vernietiging-Vernieuwing. De figuur op de hanger kan als Master of Animals daarom niemand anders dan de oppergod Odin zijn! De begrippen Chaos -Vernietiging - Vernieuwing manifesteren zich in de Viking/Germaanse mythologie niet alleen in Odin, maar ook in de draak. Odin is de machtigste god en overheerst daarom ook de draken! De ver doorgevoerde stilering van de hanger is op meerdere vikingvoorwerpen terug te vinden. Een hoofd wordt vaker rond weergegeven. De hanger past naadloos in de vaak raadselachtige voorstellingen waar vikingkunst om bekend staat. De hanger heeft door de sterke stilering een op het eerste gezicht raadselachtige, maar tegelijkertijd ook een zeer krachtige uitstraling! Onder de handen van Odin zijn de vleugels van de draken summier weergegeven. De staarten van de draken gaan over in de kromme benen van Odin. De Sutton Hoo figuur heeft ook die typische kromme benen en ook op onderstaande foto is dit typische 'benenwerk' duidelijk waarneembaar. Zie afb. 7 en 8.

 
De Aardenburgse Odinhanger en een beeldje uit IJsland:
de zgn. " Eyrarlan-statue "
 

Op afb. 9 is rechts het beroemde Eyrarland -beeldje te zien. Het bevindt zich in het Nationale Museum van IJsland. Het beeldje is in 1814-1816 in IJsland gevonden en is 67 mm hoog. Het is erg populair en sinds de ontdekking onderwerp van tot op heden voortdurende discussies: "Wie en wat stelt dit beeldje voor?" Een eensluidende verklaring is nooit gevonden, maar in het algemeen gaan veel Thor-adepten ervan uit dat de Vikinggod Thor met zijn beroemde hamer Mjollnir is afgebeeld. 
Om een goed idee te krijgen van wat het beeldje mogelijk voorstelt moet men het boek van Richard Perkins Thor the Wind-raiser and the Eyrarland Image, Viking Society for Northern Research. Text Series. Vol. XV. London, 2001, lezen. Sterk aanbevolen! Perkins behandelt in zijn studie de belangrijkste theorieën over wie het beeldje moet voorstellen. Hij denkt ook dat de god Thor wordt bedoeld, echter niet met een hamer maar bezig met het scheppen van de vier winden: Thor the Wind-raiser. Maar ook zijn conclusies overtuigen niet. Met het begrip scheppen komt hij echter enigzins in de richting van Aardenburg.

De gangbare opvatting dat het beeldje de god Thor met zijn hamer moet voorstellen komt o.a. door de populariteit van de Thorhamer. Er bestaan replica's in vele vormen en maten. De uit de vikingtijd stammende hangers in de vorm van een hamer helpen uiteraard mee om in het beeldje de god Thor met zijn hamer te willen zien. Een ander beroemd voorwerp, eveneens gevonden in IJsland, is de hanger van Foss. Dit is een zilveren hanger in de vorm van een kruis met een drakenkop als oog/uiteinde, de drie kruisuiteinden eindigen in een vorm die men als de slagvlakken van een hamer zou kunnen interpreteren.

Ondergetekende denkt dat de ‘slagkracht van een verstevigd kruis’ beter aansluit bij de vikingcultuur daar waar het gaat om verslaan van het kwaad, gesymboliseerd door de draak. Vikingen gebruikten behalve runen een beeldtaal. Het Fosskruis is echter een kruis uit een periode waarin heidendom en christelijke religie al in elkaar overgaan. De idee dat het Fosskruis ook een hamer (met drie! slagvlakken) voorstelt is vergezocht. Er wordt daarom wel eens gesproken over de ‘IJslandse hamerstijl’.

Op eerder genoemde foto laat de tekening zien dat de Aardenburgse hanger uit twee componenten is samengesteld welke samen de complete voorstelling vormen: namelijk een staande figuur en de beide dieren die in gestileerde vorm draken voorstellen. De figuur op de tekening rechtsonder is het omgekeerde bovendeel van de staande figuur. De overeenkomst tussen de omgedraaide torso en datgene wat de Eyrarland-figuur vasthoudt is dermate groot, dat de conclusie niet anders kan zijn dan dat de Eyrarland-figuur een mens vasthoudt! De meest fanatieke Thor-liefhebbers kunnen nog stellen dat de Aardenburgse hanger een staande hamer met twee beentjes is. Richard Perkins laat een runensteen zien waarop een figuur is afgebeeld met de romp in de vorm van een echte hamer.

Ter onderbouwing van "de schepping van de mens door Odin" is het interessant wat Magnus Magnusson Hammer of the North, 1976 Orbis Publishing Limited, London (Nederlandse editie, Unieboek b.v. 1976) op blz. 60 van de Nederlandse editie schrijft:

"Odin was in wezen dé Vikinggod; de god van de strijd, de god van de list, de god van de dood. In het overdreven en verchristelijke loflied in Gylfaginning, (geschreven door Snorry Sturlusun, IJslandse dichter/schrijver, 1179-1241) heet het: (Odin) leeft door alle eeuwen heen, aboluut heerser over zijn rijk en over alle dingen, groot of klein. Hij maakte de hemel en de aarde en de hemelen en alles dat daarin of daarop is...maar het grootste is dat hij de mens schiep en hem zijn onsterfelijke geest schonk die nooit zal vergaan, ook al vergaat het lichaam tot stof of verbrandt het tot as".

Bovengenoemd tijdvak 1179-1241 is duidelijk later dan de periode waarover het in dit artikel gaat. Men neemt aan dat Snorry Sturlusun in zijn geschriften echter teruggaat naar vroegere periodes. De kerstening van Denemarken had plaats in 966 na Chr. In Noorwegen tussen 995 en 1030 en in IJsland in 1000 na Chr. (jaartallen: Rudolf Simek in Die Wikinger, blz. 293). Christelijke en Vikinggodsdienst hebben lang naast elkaar bestaan en hebben ongetwijfeld theologisch en/of met wapens geprobeerd elkaars zieltjes te winnen.

De Eyrarland Statue stelt niet Thor met zijn hamer voor, maar Odin bezig met het scheppen van de mens!

In alle beschrijvingen van het Eyrarland-beeldje heeft men het voortdurend over de baard van de zittende figuur. Is de idee van Thor met zijn hamer juist, dan zien we dus een hamer met twee stelen! Ook Richard Person gaat daarop in en constateert, net als ondergetekende, dat de idee van een hamer met twee stelen onhoudbaar is. Er bestaat geen enkele vikingafbeelding- een Thorhamerhanger- of beschrijving van een hamer met twee stelen. Het moet voor de maker van het beeldje niet zo moeilijk zijn geweest om, als werkelijk een hamer werd bedoeld, het beeldje te voorzien van twee handen die één steel vasthouden. Dan zouden steel en baard veel meer een geheel vormen. Het is bovendien de vraag of de zittende figuur een baard draagt; wat we zien lijkt met evenveel recht een wat geprononceerde kin. Een mooi voorbeeld hiervan is te vinden in het boek van Perkins. Op de runesteen bij de kerk van Ledberg, Ostergotland, Zweden, staan een aantal mannenfiguren waarvan de snorren en een duidelijke baard goed te zien zijn. Maar bij twee figuren is niet met zekerheid te zeggen of ze een baard dragen.

De Eyrarland-figuur houdt een mens vast aan diens "beide benen waarvan de voeten overgaan in de kin". Zie afb. 11. Indien men zich een denkbeeldige enigzins ronde lijn net boven de voeten voorstelt, dan ziet men een geprononceerde kin met daaraan vast de voeten van de met beide handen vastgehouden benen van de mens. Er is letterlijk een verbinding tussen de schepper (Odin) en de benen van zijn creatie! De benen zijn geen baard! Is de kin van de figuur wel een baard, dan wordt nog steeds een mens door de zittende figuur geschapen. In de vikingmythologie speelt de baard een belangrijke rol.

Dat de zittende figuur realistisch is weergegeven en de te scheppen mens gestileerd, is goed te verklaren door het formaat van het beeldje: 67 mm hoog. De te scheppen mens meet in werkelijkheid ongeveer 20 mm van hand tot hand, wat een realistische weergave aanzienlijk moeilijker maakt. De vrij grove uitvoering van de zittende figuur ondersteunt deze theorie, een gestileerde weergave van de mens is dan een voor de hand liggende oplossing. Realisme en vergaande stilering naast elkaar zijn in de vikingkunst een gegeven. De Aardenburgse Odinhanger levert met de ver doorgevoerde stilering het overtuigend bewijs wie de Eyrarland-figuur werkelijk is!

Hoe, wanneer en waarom zijn de voorwerpen uit Aardenburg in de grond gekomen? De Thorhamer/knots hanger wijst op de vroege vikingperiode Er zijn meer dan 50 munten gevonden, waaronder enige zilveren exemplaren. Een daarvan lijkt in de vikingperiode te dateren. Mocht onze Viking zilveren munten hebben gehad, dan zijn deze in tegenstelling tot het nepzilver natuurlijk niet weggegooid. Mogelijk komen er interessante gegevens aan het licht bij het uitwerken van de ‘archeologisch begeleide rioleringswerkzaamheden Aardenburg 2008’. Het is duidelijk dat Vikingen naast overvallen in Aardenburg ook handel hebben gedreven. Of dit altijd succesvol was? Het lijkt van niet. De vondst werpt een boeiend licht op het doen en laten in Aardenburg in de vikingtijd.
Dat de Odin- en knots/hamerhanger samen met het ‘nepzilver’ is gevonden doet sterk vermoeden dat een Viking als oplichter door de mand is gevallen toen hij hier handel probeerde te drijven. Het zal er dan niet best voor hem hebben uitgezien. Deze handel drijvende Viking zijn hangers, de goden Odin en Thor voorstellend, afnemen moet een zeer vernederende ervaring zijn geweest, te vergelijken met het afnemen van een kruishanger van een christen. Mij zijn geen vergelijkbare vondsten uit de vikingperiode bekend.

 
Conclusie
 

De vikingvondst uit Aardenburg is er een welke door afwezigheid van zilver niet direct tot de verbeelding spreekt, maar desondanks een fascinerend verhaal vertelt. Het ‘schatgehalte’ bestaat vooral in de iconografische waarde van de hangers en paradoxaal genoeg door het nepzilver. Vier voorwerpen zijn opvallend: de valse munt, het rozetstempel, de Odinhanger en de Thorhamer/knotshanger.

De Aardenburgse Odin-hanger is vanuit cultuur- en kunsthistorisch perspectief de échte schatvondst: vikinghangers en/of afbeeldingen waarop Odin met zekerheid is afgebeeld zijn in de vikingkunst niet bekend!

De cultuur- en kunsthistorische waarde van de Aardenburgse Odin-hanger is daarom grensoverschrijdend te noemen. Een en ander wordt onderschreven indien men refereert aan het boek van Joshua Rood The Cult of Odin in Early Scandinavian Aristocracy, 2017. Een beknopt uittreksel met alle relevante afbeeldingen is te vinden op: germanicmythology.com: Joshua Rood, 2017, The Iconography of Odin. Vooral de regel "While such objects cannot be positively identified, scholars have made tentative identifications” onderstreept de grote kunsthistorische en iconografische waarde van de Aardenburgse hanger. De Eyrarland-statue en de Aardenburgse hanger stellen beide met zekerheid de oppergod Odin voor.

Zoals eerder gezegd lukt het vaak niet niet om middels iconografisch onderzoek met zekerheid vast te stellen of een beeldje, hanger of afbeelding de god Odin voorstelt. Vooral de Aardenburgse hanger, meer nog dan de Russische, laat géén ruimte voor een andere conclusie dan dat hier Odin wordt weergegeven. 

In 1986 werd in Ierland het zgn. "Tully Lough Cross" (8e-9e eeuw) ontdekt. Dit kruis wordt omschreven als Hiberno-Saxon Insular Art en een van de ornamenten van dit kruis als een Hiberno-Viking variant van de zgn. Urnes-stijl. Eamon P. Kelly (National Museum Ierland) vermoedt dat mogelijk "Daniel in de Leeuwenkuil" of "Christus tussen twee beesten" wordt weergegeven. De Daniel-these komt waarschijnlijk voort uit christelijk wensdenken. Opvallender is echter dat er geen enkel verband met het Master of Animals motief wordt gelegd. Het Sutton-Hoo Purse-Lid moet Kelly toch bekend zijn. Hij merkt verder op dat dergelijke onderdelen van een kruis ook zijn gevonden in Ierland, Engeland en in vikinggraven in Noorwegen (Archaeology Ireland, Summer 2003, blz. 9-10). Christelijke- en Scandinavisch/Germaanse religies bestonden niet alleen naast maar overlapten ook elkaar! En zo is er een onzichtbare draad waarmee Noorwegen, IJsland, Ierland en Zeeuws-Vlaanderen zijn verbonden.

Draken als symbool van het kwaad worden op het Tully Lough ornament wel weergegeven, maar letterlijk en figuurlijk niet aangepakt, de figuur maakt mogelijk een bezweringsgebaar, dit in tegenstelling tot de Odinhanger waar Odin de draken wel degelijk vastgrijpt. Draken als symbool van het kwaad komen waarschijnlijk niet toevallig in de christelijke en viking/germaanse mythologie voor, maar kunnen in het Master of Animals motief hun oorsprong hebben gevonden.

Een datering van de Aardenburgse vondst als vroeg 9e-eeuws wordt ondersteund door zowel de Thorknots/hamerhanger als de Odinhanger. Een opmerking van Merkel (blz. 106): "…de handelsroutes die Centraal-Azië met het Baltische gebied verbonden, verdwenen in de 10e eeuw" laat zien dat het onwaarschijnlijk is dat het stempelfragment in de 11e eeuw in Aardenburg terecht is gekomen.

Was onze Viking mogelijk te goeder trouw en zelf niet op de hoogte van het in bezit hebben van nepzilver? Dan is hij geen dader maar mogelijk het slachtoffer geworden van zijn tekortschietende expertise om zilver, tin en tin/lood van elkaar te onderscheiden. Niet alles wat blinkt is goud of zilver, toen niet en nu niet. Wie waren er in staat om nepzilver te herkennen, iets wat veel ervaring moet hebben gevraagd? Aardenburg moet in de 9e-10e eeuw vrij onbeduidend zijn geweest, maar de vondst bewijst dat er handel met Vikingen heeft plaats gevonden. Er is in 2008 ook een tonput aangetroffen, hetgeen op bewoning duidt. Het vat werd in plastic verpakt en meegenomen voor verder onderzoek. Een aantal van de stortvondsten uit Aardenburg komt overeen met objecten uit Domburg en Westerschouwen. Het ‘stort’ is ook bij archeologisch begeleide werkzaamheden van grote waarde!

Joop Weij 

 

Scheepsresten in de Zwaakse Weel

Afb. 1. Locatie Zwaakse Weel met scheepswrak.
Klik hier voor een grotere afbeelding.

 

Afb.2. Ontwikkeling van het Zwakesysteem tussen 0 AD en 1500 AD.
(1 = de Zwake; 2 = de Schelde; 3 = Westerschelde).
Klik hier voor een grotere afbeelding.

 

Afb. 3. Pre-Romeinse Schelde volgens Steur en Ovaa, 1955.
Klik hier voor een grotere afbeelding.

 

Afb. 4. In 1993 aangetroffen koraal op scheepsresten in de bodem van de Zwaakse Weel.
Klik hier voor een grotere afbeelding.

 
1. Inleiding

De Zwaakse Weel, gelegen tussen de Zuid-Bevelandse dorpen ’s-Gravenpolder, Nisse en Kwadendamme en de aansluitende restgeul (kreek) waren eind 20e eeuw door bedrijfslozingen uit de omgeving zeer sterk vervuild. Om de waterkwaliteit te verbeteren moesten de lozingen stoppen en de waterbodems worden opgeschoond.
In 1992-1993 is de Zwaakse Weel uitgebaggerd en van een schone zandlaag voorzien (PZC, 29-01-1992) Daarbij is men niet dieper gegaan dan maximaal 2 à 2,5 meter. Op deze diepte bevond zich een zachte natuurlijke bodem waarop de nieuwe zandlaag is aangebracht.
Tijdens de werkzaamheden stootte de snijkopzuiger (cutterzuiger) op harde elementen, die een belemmering voor het baggerwerk vormden. Duikers hebben waargenomen dat hier op regelmatige afstand staanders (houten spanten?) van mogelijk een schip lagen die overgroeid waren met brakwaterkoraal  (PZC, 09-10-1993). Dit wordt ook wel Zeeuws koraal, palingbrood of levende stenen genoemd. De Latijnse naam is Electra Crusulenta (zie afb. 4).
De aangetroffen scheepsresten (voorlopig ga ik ervan uit dat dit een scheepswrak kan zijn) zijn een raadsel. De vraag is:  hoe en wanneer is dat daar terecht gekomen?  Is nader archeologisch (onderwater) onderzoek nog mogelijk en is het zinvol?

 
2. De locatie van het wrak in de Zwaakse Weel

De restgeul van de Zwake, die hier voor het gemak de Zwaakse Weel wordt genoemd, ligt in de Middelzwakepolder. Deze polder sluit in het zuiden aan op de Slabbekoornpolder uit ca. 1320 en de Vlieguitpolder, die in ca. 1460 is bedijkt. Aan de noordkant sluit de Middelzwakepolder aan op de ’s-Gravenpolder,  die omstreeks 1316 is aangelegd in opdracht van de Grafelijkheid, en op de Rondepolder, die vóór 1445 is bedijkt. De Middelzwakepolder is ontstaan door het aanleggen van twee afdammingen in de restgeul van de Zwake. De eerste afdamming was de Lenshoekdijk die Zuid-Beveland verbond met het eiland Borsele-Baarland, ten zuiden van ’s- Gravenpolder. Een tweede afdamming van de restgeul van de Zwake vond plaats tussen de Rondepolder en de Vlieguitpolder, die in 1474 is aangelegd  (Dekker, p. 255-257).

 
3. De Zwaakse Weel was onderdeel van het Zwakesysteem

Het oude Zwakesysteem omvatte de getijdengeulen die gelegen hebben tussen Zuid-Beveland en het eiland Borsele en tussen Zuid-Beveland en Walcheren (onderzoeksverslag van de auteur, 2015: Archeologische rapportage Poldersedijk). De monding van het Zwakesysteem lag op de plaats van het Veerse Gat, uitlopende in de toenmalige Schelde (zie afb. 2a en 2b ).
Zeeland was tussen ca. 3500 voor Christus tot kort voor onze jaartelling nog geheel bedekt met een dik veenpakket bestaande uit veenruggen en veendalen. In de veendalen liepen veenstromen die het overtollige water afvoerden. Het is aannemelijk dat deze veenstromen hun oorsprong vonden op de hoger gelegen zandruggen net over de grens in België (zie afb.2). De afwateringsstromen liepen vanaf hier hoofdzakelijk in noordelijke richting naar de plaats van de huidige Oosterschelde. Eén van die veenstromen is de voorganger van de Zwake (Zwakesysteem) die zich tussen Walcheren en Zuid- en Noord- Beveland bevond en daar door getijwerking uitschuurde tot een getijdengeul. De - voorloper van de-  Westerschelde bevindt zich dan nog in een pril stadium van ontwikkeling.

Als in 837 Walcheren en Beveland apart als eilanden worden genoemd mag ervan uitgegaan worden dat daar- tussen het stroomgebied van de Zwake lag. Lange tijd werd aangenomen dat de Zwake, het water tussen Zuid-Beveland en Walcheren, is ontstaan tijdens de stormvloeden van 1014 en 1134, waarbij veel schade aan het onbedijkte land zou zijn aangericht (Koch 1970 p. 493, 528, 883-886; Brand 1983 p.105-108)  Doch het was bodemkundige  I. Ovaa die aan de hand van bodemdata deze stroom van de Zwake al pre-Romeins noemde (zie afb.3.).
Door de ontwikkeling van de Westerschelde is het Zwakesysteem al vóór de 11e eeuw gaan verzanden. Vanwege de sterk binnenkomende vloedstromen in de Westerscheldemonding werden zand en slib in de Zwake gedeponeerd. Daarop volgden de inpolderingen die tussen de 13e eeuw en de 20e eeuw hebben plaatsgevonden .

 
4. De scheepvaart op de Zwake

In de 13e eeuw was de Honte (Westerschelde) voor de scheepvaart nog van weinig betekenis. Bekend is dat er in de tweede helft van de 13e eeuw door ambachtsheren verplicht  geleidetol (konvooigeld) werd geheven in het oostelijk deel van de Honte.  In een oorkonde van 1276 werden de tol en geleiden van Rilland, Valkenisse en Agger genoemd. De Honte was in de 13e eeuw voornamelijk van belang voor het lokale scheepvaartverkeer. Vanaf 1375 kan de Honte als geregelde vaarweg vanaf de Noordzee naar Antwerpen worden aangemerkt. (De Kraker 2002:  De Westerschelde,  pag. 19-20.)
In de 15e eeuw zal de Honte nog grotendeels hebben bestaan uit ondiepe geulen met platen en slikken. Tijdens eb zal het geulensysteem van de Honte nog vrijwel droog zijn gevallen Er zal daarom mogelijk tot eind 14e eeuw scheepvaart over de Zwake tussen Middelburg en Antwerpen hebben plaats gevonden, maar dat zal door de geringe bevaarbaarheid beperkt zijn geweest tot de kleinere vrachtscheepjes. ( Lases en De Kraker, 2009; TvW 18/2)
Langs de oevers van de Zwake werden vanaf ca. 1300 nieuwe polders aangelegd. Deze was dus al geruime tijd aan het verzanden. De oostelijke arm van de Zwake, waarin de Zwaakse Weel ligt, is al in 1445  tussen ’s-Gravenpolder en Borsele-Baarland afgesloten;  dit water was al enige tijd daarvoor door de voortdurende aanslibbing  niet meer bevaarbaar.

 
5. De legende van het gezonken goudschip in de Zwaakse Weel

De bron of oorsprong van de  legende over het goudschip dat op de bodem van de Zwaakse Weel zou liggen, is niet teruggevonden. Toen het nog open vaarwater was vergingen er nogal wat schepen in de buurt van waar zich nu de tweede afdamming (1474) bevindt. Het verhaal gaat (Van IJsseldijk, p. 185) dat er een ‘kwade geest’ in de Zwaakse Weel zou huizen.
Vanuit dit perspectief is het niet zo vreemd dat er volksverhalen in omloop zijn gekomen. Aan de Weel werd een zekere legendarische betekenis toegekend, het werd als een heilig water beschouwd.
Volgens het verhaal verging hier een schip met een rijke lading goud en zilver. Volgens Van IJsseldijk zouden in de jaren twintig van de vorige eeuw met de inzet van 6 paarden vergeefse pogingen zijn ondernomen om een mogelijk wrak te bergen.  Zwemmers beweerden dat zij houtresten van een schip op de bodem hadden aangetroffen ( PZC, 20-08-1998)
Algemeen wordt aangenomen dat de Zwake een belangrijke en drukke vaarroute is geweest tussen Middelburg en Antwerpen om het tolhuis van Yersekeroord langs de (Ooster)Schelde te omzeilen. (Smallegange, 1698 p. 278.)
Helaas geeft dit volksverhaal geen zekerheid omtrent de in 1992-1993 aangetroffen restanten in de Zwaakse Weel.

 
6. Mogelijke verklaringen voor de aangetroffen scheepsresten

Historisch onderzoek van de Zwake -en de mogelijke afkomst van het scheepswrak- levert weinig concrete informatie op.  Als er een archeologisch onderwateronderzoek van dit scheepswrak komt, moeten alle opties worden opengehouden.

  • Het scheepswrak  kan afkomstig zijn uit de periode dat de Zwake nog een bevaarbare stroom was (14e eeuw).
  • Het is niet uit te sluiten dat het wrak een ‘tamelijk recent’ scheepje voor de visvangst op de Zwaakse Weel was. Het is bekend dat de Zwaakse Weel een rijk viswater was.
  • Het is niet waarschijnlijk dat het hier om een veerboot gaat uit de periode dat dit nog open water was. Er zijn enkele veren bekend tussen Zuid-Beveland en Baarland-Borsele, onder andere tussen ’s-Gravenpolder en de noordelijke dijk van Hoedekenskerke, de Westpolder (Sandberg, p. 55). Ook is een veer bekend tussen Nisse en Stelle, dat als eiland is bedijkt tijdens de aanleg van de Baarland-Nissestellepolder.
  • Er is dus in de ontwikkeling van de Zwakegeulen en de Westerschelde een periode geweest dat er scheepvaart voor vrachtscheepjes mogelijk was. Deze periode moet ruim vóór de eerste afdamming van de Zwake in 1445 zijn geweest. Aangezien de ontwikkeling van de Honte/ Westerschelde pas eind 13e eeuw  lokale scheepvaart toeliet, zal de Zwake slechts korte tijd gebruikt kunnen zijn.
  • Tijdens de stormvloed van 1530 is ook de Middelzwakepolder ondergelopen (Dekker , p. 257) Zowel de oostelijke dam, de Lenshoekdijk, als de westelijke dam, de Zwaaksedijk, dragen kenmerken van doorbraken. Het was in de 15e eeuw al gebruikelijk een dijkgat als gevolg van een dijkbreuk te dichten met gebruikmaking van een scheepsromp (als een caisson). Misschien heeft dit hier ook plaatsgevonden.
 
7. Nader onderzoek

Slechts aanvullend archeologisch onderwateronderzoek naar de resten van het scheepswrak, waarvan we nu de (globale) locatie kennen, kan uitsluitsel geven over de afkomst ervan. De restanten worden momenteel niet door verstoringen bedreigd, maar omdat het mogelijk kan gaan om een wrak uit de 14e eeuw  is onderzoek hiervan om cultuurhistorische redenen interessant .
Als een deel van het scheepshout geborgen zou kunnen worden kunnen we misschien antwoord krijgen op de volgende vragen.

  1. Welke houtsoort  betreft het en wat is de ouderdom?
  2. Wat is de vorm van het scheepje en wat zijn de afmetingen?
  3.  Bevinden er zich nog archeologische artefacten rond en in het wrak? Dit kunnen aanwijzingen zijn voor de functie van het scheepje (vissersboot of handelsschip).
  4. Welk scheepstype betreft het?
  5. Kunnen we door een eventueel onderzoek onze kennis over het geulrestant de Zwaakse Weel (zoals hierboven is beschreven) uitbreiden en nader onderbouwen, of bijstellen?

Al met al een kans voor de AWN onderwaterarcheologie op een locatie die niet belast is met een verbod.

Bas Chamuleau

 
Literatuur

Beets, D.J. e.a., Holocene ontwikkeling van de Nederlandse kust. Rijks Geologische Dienst, Haarlem 1994.
Beekman, A.A., De wateren van Nederland. ’s-Gravenhage 1948.
Brand, K.J.J., Over het ontstaan en de ontwikkeling van de Hont of Westerschelde, in: Zeeuws Tijdschrift, 1983, jaarg.33, nr. 3, p.99-110
Chamuleau, S.J.J., De Poldersedijk, De westelijke dijk van de Brede Watering Bewesten Yerseke. Kapelle 2016 (onderzoeksrapport in bewerking).
Chamuleau, S.J.J., De Zwake en de Schelde, 2016 (niet gepubliceerd)
Dekker, C., Zuid Beveland. De historische geografie en de instellingen van een Zeeuws eiland in de Middeleeuwen, Assen 1971.
Koch, A.C.F., Oorkondenboek van Holland en Zeeland tot 1299. ’s-Gravenhage 1970.
Krantenbank Zeeland.nl/ Zwaakse Weel ,  Zwaakse Weel en Middelzwakepolder.
Lases, W.B.P.M. en A.M.J. de Kraker., in: Tijdschrift voor Waterstaatsgeschiedenis 18 (12-2009)2, De Westerschelde,natuurlijk? p. 25-39
ProSes. Ontwikkelingschets 2010 Schelde – estuarium. Bergen op Zoom 2005. (Projectdirectie ontwikkelingsschets Schelde-estuarium)
Sandberg,G.F., Overzetveren in Zeeland, Arnhem 1978.
Smallegange, M.,  De Nieuwe Cronyk van Zeeland. Middelburg 1696
Steur, G.G.L. en Ovaa, I., Afzettingen uit de pre-Romeinse transgressieperiode en hun verband met de loop van de Schelde in Midden Zeeland, in: Geologie en mijnbouw, NS, 22(1960) p.671-678.
IJsseldijk W.E.P. van, Oude Boerderijen in Zeeland. Goes 1975.

   

Een weekloon in het riool



Voorzijde: guinea van Charles II. Foto: Erfgoed Zeeland.

 

 



Keerzijde: Wapens van Engeland, Ierland, Schotland en Frankrijk. Foto: Erfgoed Zeeland.

 

 



Hans Bostelaar aan het werk bij het Lampsinshuis. Foto: Erfgoed Zeeland.

 

Onlangs nog vertelde een kennis, een oudere dame, dat bij toiletbezoek haar mobieltje uit haar broekzak was gegleden, in de pot was gevallen en doorgespoeld.  Foetsie mobieltje.
Kostbare dingen verliezen is van alle tijden; door de eeuwen heen zijn voorwerpen in het ‘secreet’ beland om ze nooit meer terug te zien. Nooit?
Op 31 augustus en 18 september 2000 werden op het terrein achter het Lampsinshuis twee beerputten gevonden en onderzocht.  Het terrein werd afgegraven voor de bouw van het toekomstige Maritiem MuZEEum. Het toenmalige Stedelijk Museum voldeed niet meer aan de eisen van de tijd en zat te krap in zijn jas. Het Lampsinshuis ( genoemd naar de rijke reder Cornelis Lampsins) werd de basis van het nieuwe museumcomplex. Ten behoeve van de uitbreiding werd het aangrenzende  pand uit 1912 gesloopt om plaats te maken voor nieuwbouw.
De achtertuin zat vol funderingsresten van eerdere woningen en muurresten van kelders uit de 17e en 18e eeuw.
De eerste beerput was groot, 3 x 1,5 m, met een overwelving van gele ijsselstenen. Veel zat er niet in; de weinige vondsten lagen geconcentreerd bij de stortkoker en het materiaal dateerde uit de 17e en 18e  eeuw. Behalve aardewerk- en glasscherven, botten en hout werden er twee tinnen soldaatjes gevonden uit de napoleontische tijd, twee tinnen fluitjes en, best bijzonder, een houten pop uit de 19e eeuw, helaas zonder ledematen.
Kennelijk was de put in het verleden al eens leeggehaald. De inhoud bestond uit louter beer zonder een duidelijke gelaagdheid . Waarschijnlijk dateert de aanleg uit de 17e eeuw.

De tweede beerput, gelegen direct achter de achtergevel van het gesloopte pand naast het Lampsinshuis, was veel kleiner, 1 x 1 m.  Mogelijk is een deel van een 17e-eeuws rioolstelsel als stortplaats gebruikt. Ook hier werd bovenin bij de stortkoker een concentratie vondstmateriaal aangetroffen. De onderzoekers vonden, behalve opvallend veel pijpenkoppen en –stelen, aardewerkscherven,  botmateriaal  en glas  een blinkende gouden munt, het onderwerp van dit artikel.
De munt bleek een Engelse guinea van Charles II te zijn, weliswaar wat gesleten, maar het jaartal was nog net te lezen: 1684. De munt is geslagen in het jaar voor zijn dood (1685). Gezien de slijtage is de munt waarschijnlijk lang in omloop geweest voor hij in de beerput belandde tussen het overige materiaal uit de 18e eeuw. Destijds had de munt een waarde van zo’n f 8,50. Ter vergelijking: het gemiddelde dagloon van een arbeider bedroeg ongeveer 1 gulden en daar was men dan vaak twaalf uur voor in touw! Het is echter erg lastig om ons geld en onze koopkracht te vergelijken met die uit de late 17e eeuw.
Vreemde munten waren hier gewoon in omloop en werden als gangbaar geld beschouwd.
Gouden en ook zilveren munten werden op hun gewicht beoordeeld en de zwaarte bepaalde de waarde; deze bepaalde men met van overheidswege geijkte koperen muntgewichtjes en een balansje.

 
De guinea

Op de voorzijde zien we de afbeelding van Charles II, koning van Engeland van 1660 – 1685, met een lauwerkrans om het hoofd.
De tekst luidt: CAROLUS. II. DEI. GRATIA.
Op de keerzijde zien we in kruisvorm vier gekroonde wapens. Bovenaan het wapen van Engeland, links dat van Ierland, rechts van Schotland en onderaan van Frankrijk  (De Engelse koningen claimden de koningstitel sinds de regering van Edward III). Daartussen vier scepters. In het centrum vier verstrengelde “C”s.
De tekst luidt: MAG[num]. BR[itanniae]. FRA[nciae]. ET. HIB[erniae]. REX. 1684.
De munt is 2,5 cm in doorsnede en weegt 8.08 gram. Om snoeien tegen te gaan is de rand gekarteld.

Een guinea was 21 shilling of -in decimaal geld- 1,05 pond. De munt werd in 1663 tijdens de regering van Charles II ingevoerd met een waarde van 20 shilling. Door fluctuaties in de goudprijs varieerde de waarde tussen de 20 en 30 shilling, tot deze bij koninklijk besluit in 1717 op 21 shilling werd vastgelegd. De guinea was de eerste machinaal geslagen munt in Engeland. De naam is afgeleid van Guinee in West Afrika, waar veel van het goud voor de productie van deze munten vandaan kwam.
 
Charles II

In de 25 jaar dat Charles II op de troon zat, maar ook daarvoor en daarna, had de Republiek heel wat te stellen met Engeland. Tijdens zijn regering vonden onder meer de Tweede en de Derde Engelse Oorlog plaats, de roemruchte tocht naar Chatham, de Vierdaagse zeeslag waarbij de Vlissingse luitenant-admiraal Cornelis Evertsen het leven liet, en de Tweedaagse zeeslag, waarbij zijn broer Johan sneuvelde. En het jaar 1672 staat in de historie vermeld als het ‘Rampjaar.’  
Charles II besteeg de troon na de dood van Cromwell. Na jaren in het buitenland in ballingschap te hebben gewoond, o.a. in Den Haag,  vertrok hij in 1660 vanuit Scheveningen met het schip de Royal Charles naar Dover.
Nog in datzelfde jaar ontving hij een geschenk ter waarde van 600.000 gulden (The Dutch Gift) van de Staten Generaal om hem gunstig te stemmen in de hoop op betere verhoudingen, minder inbeslagnames en indien mogelijk het afschaffen van de Akte van Navigatie, een voor de Nederlandse handel wurgende maatregel. Deze Akte was in 1652 door Cromwell ingesteld en na de troonsbestijging van Charles II in 1660 door het Parlement hernieuwd.
In 1660 bracht een delegatie, waaronder de Vlissinger Michiel van Gogh, het geschenk, bestaande uit een plezierjacht, een wandtapijt, een slaapkamerameublement en vele schilderijen van Italiaanse en Hollandse meesters naar Engeland. Veel hielp het niet; enkele jaren na deze genereuze gift waren de beide landen weer in oorlog.
Behalve de verovering van Nieuw Amsterdam (New York) in 1664 en handelsposten in West Afrika op de Nederlanders, wat leidde tot de Tweede Engelse Oorlog, kende zijn regering nogal wat tegenslagen. In 1665 brak de pest uit, die in Londen alleen al 70.000 levens kostte. Het jaar daarop brak een grote brand uit die Londen voor een groot deel in de as legde.
En in 1667 vernietigde de Nederlandse vloot o.l.v. Michiel de Ruyter en Cornelis de Witt een groot deel van de Engelse oorlogsvloot tijdens de tocht naar Chatham en werd het vlaggenschip de Royal Charles, waarmee Charles II zes jaar eerder vanuit Scheveningen naar Engeland vertrokken was, in triomf naar Hellevoetsluis gesleept waar het zes jaar later werd gesloopt. Het schip, een driedekker met 80 kanons aan boord, toen inmiddels 18 jaar oud, stak te diep voor gebruik in onze kustwateren. De prachtige spiegelversiering werd de trots van het Rijksmuseum in Amsterdam. In 2012 keerde de spiegelversiering na 345 jaar tijdelijk terug naar Engelse bodem, in bruikleen gegeven aan het National Maritime Museum in Londen.

Hoe de guinea in de beerput terecht is gekomen weten we niet, we kunnen er slechts naar gissen. Had een gebruiker van het ‘privaat’ misschien een gat in zijn zak? Of is de munt op de een of andere wijze tussen het keukenafval terechtgekomen en zo in de put beland?  We zullen het wel nooit te weten komen. Maar in de zomer van het jaar 2000 vond een medewerker aan het onderzoek die bezig was de beerput leeg te halen -  en in feite hetzelfde werk deed als een middeleeuwse ‘stilleveger’ , d.i. iemand die privaten/beerputten leegmaakt -  tot zijn verbazing en vreugde de gouden munt, 316 jaar nadat hij geslagen was.  
De guinea bevindt zich thans in het Zeeuws Archeologisch Depot van Erfgoed Zeeland in Middelburg.

Leida Goldschmitz

 
Bronnen

Claeys, J., en N.L. Jaspers en S. Ostkamp (red.) Vier eeuwen leven en sterven aan de Dokkershaven in Vlissingen. Een archeologische opgraving van een postmiddeleeuwse stadswijk in het Scheldekwartier in Vlissingen. ADC Monografie 9/ADC Rapport 1635. Amersfoort 2010

Gelder, dr. Enno van., en drs. Joh. S. Boersma. Munten in muntvondsten. Bussum 1967

Weber, drs. Wilbert., Een tuin vol ellende.  In: Den Spiegel. Oktober 2000

Nieuwsbrief  Archeologie nr. 12.  Prov. Zeeland, afd. Voorlichting. Oktober 2000

Rapportage waarnemingen afgraven tuin Lampsinshuis.  Aug/sept. 2000  PACZ/SCEZ

wikipedia.org/wiki/Dutch_Gift
wikipedia.org/wiki/Karel_II_van_Engeland
newworldencyclopedia.org/ Charles_II_of_England
en.wikipedia.org/wiki/guinea

Dit artikel is in uitgebreidere vorm verschenen in Den Spiegel van april 2016.
Den Spiegel is het kwartaalblad van de Vereniging Vrienden van het MuZEEum en het Gemeentearchief Vlissingen.

   

Walichrum, een vroegmiddeleeuwse handelsnederzetting op Walcheren

Tekening: Lucy de Graaf.







Grafkist; litho naar een tekening van J.C. Frederiks: Zeeuws Archief, Zeeuws Genootschap, ZI 296-473c







Zilveren mantelpin; foto: A. Feldbrugge.
en vondsten in de collectie van het Zeeuws Genootschap
 

Het voormalige eiland Walcheren is al erg lang bewoond. Er zijn op diverse plaatsen archeologische vondsten uit de IJzertijd gedaan en van de aansluitende Romeinse tijd zijn bij veel mensen de votiefstenen van het tempelcomplex van Nehalennia ten noorden van Domburg  bekend.
Nadat het Romeinse bestuur werd opgeheven, is waarschijnlijk niet iedereen vertrokken, zoals in het verleden nogal eens vermeld werd. De zeespiegelrijzing maakte het achterland tot een waddengebied, het eiland werd een waddeneiland waar enkele schapenboeren zich gehandhaafd kunnen hebben. Ze vormden een kleine gemeenschap, net ten oosten  van Domburg, misschien omdat daar sinds mensenheugenis altijd een plaats voor verering van goden was geweest; het was een plaats van betekenis.

Gelegen aan de monding van de Schelde en beter met een schip te bereiken dan over land, ontplooide er zich opnieuw een belangrijke handelsnederzetting, villa Walichrum of Walacra genaamd, thuishorend in het rijtje Quentovic, Leffene en Dorestad.
De Friese bevolking die er woonde dreef handel met de andere Friese kustbewoners rond de Noordzee, met de Angelsaksen in Engeland en de Scandinaviërs van Noorwegen, Zweden en Denemarken. En ook Franken in het binnenland waren bereikbaar door middel van platbodemscheepjes over het tussenliggende wad. De vele vondsten die op het strand zijn gedaan, getuigen van verschillende modes in sieraden, van ambachten, jacht, strijd en handel door de vroege middeleeuwen heen.

In 1648 kwamen na een zware winterstorm de eerste Nehalenniastenen op het strand van Domburg aan het licht. De woeste golven hadden veel zand van het strand afgespoeld en de stenen kwamen bloot te liggen. Een paar jaar daarop kwam op dezelfde manier iets verderop naar het oosten een grafveld tevoorschijn van onder het zand, het eerste. In de resten van houten grafkisten lagen geraamtes van mannen en vrouwen met muntjes, mantelspelden, wapens, schenkgerei, etc. De bewoners van de kust-
dorpen noemden de plek sindsdien ‘de verdronken woninge der oude Gothen’; Roman Visscher noteert dit in 1656 op zijn kaart van Walcheren.
De nederzetting was niet op het strand gebouwd, maar lag oorspronkelijk achter de duinen, beschut tegen de zee. De heersende westenwinden bliezen de  duinen in de loop van de eeuwen echter steeds meer landinwaarts en in het begin van de 11e eeuw besloten de bewoners hun boeltje op te pakken en verderop te gaan wonen. Maar de grafvelden bleven natuurlijk liggen. Het hele dorp verdween onder het zand … en kwam daarna op het strand weer voorschijn.

Boeren, burgers en buitenlui raapten in de eeuwen daarna op wat er te vinden was; vooral de gouden, zilveren en bronzen voorwerpjes waren natuurlijk geliefd.
Toen in ca. 1800 A.D. de numismaat C.A. Rethaan Macaré conservator werd van de archeologische collectie van het Zeeuwsch Genootschap der Wetenschappen, kocht hij veel van deze metalen vondsten aan. Niet alleen de munten, maar ook fibula’s en andere siervoorwerpjes. Ook latere conservatoren van het Zeeuws Genootschap kochten voorwerpen aan, of kregen ze als geschenk voor het Genootschap.
De kunstenaar J.C. Frederiks uit Oostkapelle maakte in 1866 een aantal schetsen van  de zichtbare sporen op het strand. Niet alleen de achtergelaten graven, maar ook de resten van diverse gebouwen waren toen nog te zien. Deze tekeningen zijn bewaard gebleven.
Pas een eeuw later kwam er ook interesse voor ander materiaal. Zo groef de bioloog en  conservator van het Zeeuws Genootschap drs. P.J. van der Feen diverse putjes met botmateriaal uit en ir. J. A. Trimpe Burger stelde als beginnend  archeoloog  belangrijk aardewerk veilig, scherven, maar ook archeologisch compleet vaatwerk.

Het Zeeuws Genootschap bestaat dit jaar 250 jaar.
Met de archeologische vondsten van het Zeeuws Genootschap, enkele vondsten van Erfgoed Zeeland en het RMO in Leiden, is in museum Terra Maris getracht een beeld te schetsen van het dagelijkse leven in Walichrum, van ca. 600-1030 A.D.  
Het is een tentoonstelling die geschikt is voor zowel kinderen en volwassenen, onder de titel: “Vikingen op Walcheren? vondsten, verhalen, feiten en fabels”.
Dat er Vikingen op Walcheren zijn geweest, weten we uit geschriften uit die tijd, maar er is tot nu toe op het strand niets van hen teruggevonden. Er zijn wel objecten gevonden met duidelijk Scandinavische invloed, maar die kunnen ook door aankoop, ruiling, schenking of verliezen in Walichrum verzeild geraakt zijn. De tentoonstelling gaat dus over de plaatselijke Friese bevolking.

Veel van de functie van de voorwerpjes wordt in de tentoonstelling verklaard aan de hand van sfeervolle tekeningen van Lucy de Graaf.
Een catalogus met een uitgebreidere toelichting en de gegevens van de voorwerpen is te downloaden van: www.kzgw.nl> Collecties> Archeologische collectie> Walichrum.

De andere vier jubileumtentoonstellingen van het Zeeuws Genootschap hebben ook te maken met bodemvondsten, maar dan uit andere collecties. Te zien is:
In het Stadsmuseum van Zierikzee: “ De Zeeuwse IJstijd”, fossiele botten van het Zeeuws Genootschap: een ontdekkingstocht.
In Museum De Bevelanden in Goes: “uitMUNTend!”,  Zeeuwse munten en penningen.
In Museum Het  Warenhuis in Axel:  “Kijk naar beneden, dan zie je meer”,  met schelpen en fossielen uit Zeeuws-Vlaanderen en de Westerschelde.
In het Belfort in Sluis : “Vaste voet in Vlaanderen. Kaarten en prenten uit de ‘Zelandia Illustrata”, over de verovering van westelijk Staats-Vlaanderen in de eerste helft van de 17e eeuw, opent omstreeks november.

Aagje Feldbrugge, conservator archeologische voorwerpen bij het KZGW.

   

 
Middeleeuwse muntslag in Zeeland  
 

Soms valt een bepaald munttype op omdat je dat zeer regelmatig vindt in een bepaald gebied.  Zo is er een bepaald type lichte Vlaamse penning dat regelmatig wordt gevonden op Walcheren op locaties met vondsten uit de 12e en 13e eeuw. Dit was opgevallen bij de twee schrijvers van dit artikel en onafhankelijk van elkaar waren ze begonnen met dit verder uit te zoeken. In 2018 hebben zij de handen ineen geslagen en besloten dit verder samen op te pakken. Dit artikel betreft slechts een eerste aanzet. Volgend jaar zal er een uitgebreider artikel worden opgenomen in het jaarboek van het Koninklijk Nederlands Genootschap voor Munt- en Penningkunde.

Van de huidige provincie Zeeland zijn slechts enkele uiterst zeldzame middeleeuwse munttypen bekend. Uit de voor Zeeland zeer bewogen 13e eeuw is tot nu toe geen enkel muntstuk aan dit gewest toegewezen. De lichte Vlaamse penningen van het type Ghijssens 514, 515, 516 en 517 worden van oudsher toegeschreven aan drie mogelijke muntplaatsen, te weten: Middelburg, Doornik of St Omaars. Het door Ghyssens beschreven type 516 is identiek aan 515, dus in dit artikel worden 3 types beschreven.

Aan de hand van een inventarisatie van teruggevonden exemplaren hebben we aannemelijk kunnen maken dat deze lichte Vlaamse penningen slechts geslagen kunnen zijn op Walcheren. Er zijn in totaal 135 penningen door ons teruggevonden van het type Ghs.514-517. De nationale collecties van België en Nederland en de collectie van het Zeeuws Genootschap zijn geraadpleegd. Numis (Numismatisch Informatie Systeem) en PAN (Portable Antiquities of the Netherlands) zijn doorgenomen. Veilingcatalogi van de bekende veilinghuizen zijn doorzocht en er zijn oproepen geplaatst in De Detector Amateur, Westerheem, het tijdschrift van de AWN, en op diverse fora en facebookgroepen in Nederland, België en Noord-Frankrijk. Er zijn specifieke particuliere verzamelingen en vondstgegevens geraadpleegd van een aantal detectorzoekers uit Zeeland. Het overzicht geeft geen absolute opsomming en beoogt niet volledig te zijn, maar slechts een inzicht te geven in de herkomst/vindplaats van deze penningen en zo mogelijk het gewicht en de diameter te bepalen.

Van het type Ghs.514 zijn er 36 exemplaren teruggevonden, 32 hele penningen en 4 gehalveerde.
Van 28 van de 36 exemplaren is de herkomst bekend. Van drie exemplaren weten we dat de oorsprong Zeeuws is, maar is de vondstlocatie onbekend (vermoedelijk Domburg, Walcheren). Het betreft hier een stuk uit de collectie De Man, een stuk door S.H. van der Noordaa (munt- en penningkundige)  geschonken aan het Koninklijk Penning Kabinet en een stuk uit de collectie Hubregtse, thans collectie KZGW.  
Marie de Man was van 1889-1933 conservator van het penningkabinet van het Zeeuws Genootschap en publiceerde vele artikelen over munten en penningen.
J.A. Hubregtse (1878-1940) was onderwijzer in Haamstede en amateurarcheoloog.
Slechts één exemplaar is teruggevonden in Numis en dat betreft mogelijk een exemplaar uit een privécollectie.

Voor de verspreidingskaart zijn er dus 25 gebruikt. Hiervan zijn er 22 stuks gevonden op Walcheren, 2 nabij Goes op Zuid-Beveland en 1 in Alphen aan de Rijn, in Holland.

Ghyssens 514



Voorzijde (links): centrale rechte staf met puntcirkel in het midden, aan weerszijden geflankeerd door een kleinere staf welke aan de buitenzijde is geflankeerd door een puntcirkel. Het geheel in een buitencirkel van streepjes.
Keerzijde (rechts): leliekruis met puntcirkel in het midden in een binnencirkel en een buitencirkel van streepjes. Gemiddelde doorsnede: 10 mm; gemiddeld gewicht: 0,33 g.




Vondstkaart met verspreiding Ghs. 514.


Ghyssens 515


Voorzijde (links): centrale kromstaf naar links met puntcirkel, aan weerszijden geflankeerd door een kleinere staf welke aan de buitenzijde is geflankeerd door een puntcirkel in een buitencirkel van streepjes.
Keerzijde (rechts): leliekruis met puntcirkel in het midden in een buitencirkel van streepjes. Gemiddelde doorsnede: 10 mm; gemiddeld gewicht: 0,33 g.




Vondstkaart met verspreiding Ghs. 515.


Ghyssens 517


Voorzijde (links): rechts en links van het midden een naar buiten gedraaide kromstaf aan weerszijden
geflankeerd door een lelie in een buitencirkel van streepjes.
Keerzijde (rechts): leliekruis met puntcirkel in het midden in een buitencirkel van streepjes. Gemiddelde doorsnede: 10 mm; gemiddeld gewicht: 0,33 g.




Vondstkaart met verspreiding Ghs. 517.
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 

Van het type Ghs.515 zijn er 37 exemplaren teruggevonden, 32 hele penningen en 5 gehalveerde.
Van 27 van de 37 exemplaren is de herkomst bekend. Van één exemplaar is bekend dat de oorsprong Zeeuws is, maar de vondstlocatie is onbekend (mogelijk Domburg). Het betreft hier een stuk uit de collectie De Man.

Voor de verspreidingskaart zijn er dus 26 gebruikt. 25 Stuks zijn gevonden op Walcheren, 1 exemplaar is gevonden in de omgeving van Egmond. De omgeving van Egmond is een bekende vondstlocatie waar detectorzoekers vele 12e en 13e eeuwse penningen hebben gevonden.

Van het type Gh.517 zijn er 65 exemplaren teruggevonden, te weten 60 hele penningen en 5 gehalveerde exemplaren.
Van 44 van de 61 exemplaren is de herkomst bekend. Van vijf exemplaren weten we dat de oorsprong Zeeuws is,  maar de vondstlocatie onbekend. Domburg en/ of Schouwen zijn hier mogelijke vondstlocaties, maar dat is niet te bewijzen. Het betreft hier drie stuks uit de verzameling Hubregtse, een stuk uit de collectie De Man en een door Van der Noordaa geschonken exemplaar.

Voor de verspreidingskaart zijn er dan ook 39 gebruikt. 38 Stuks zijn gevonden op Walcheren en 1 penning is gevonden in Damme, Noordwest Vlaanderen.
 

Economisch gezien gaat het Zeeland vanaf de 12e eeuw voor de wind. De bevolking groeit enorm en het zwaartepunt verloopt van veeteelt naar landbouw, handel en scheepvaart. Steden zoals Middelburg, Zierikzee, Westkapelle en Domburg maken een enorme groei door en krijgen alle nieuwe of vernieuwde keuren (statuut, plaatselijke privileges, voorrechten en verordeningen) in de relatief vredige eerste helft van de 13e eeuw.
De Zeeuwse eilanden Bewesten Schelde met als kerngebied Walcheren liggen uiterst gunstig aan de hoofdvaarwegen naar het Vlaamse achterland. Middelburg is het bestuurlijk centrum. Zeeland is voor de Vlaamse handel op Engeland en het Rijnland een strategisch en economisch interessant en belangrijk gebied.

Kerkelijk valt Zeeland onder het bisdom Utrecht en is de Abdij een belangrijke machtsfactor met al haar bezittingen en grafelijke privileges. Zeeland Bewesten Schelde ligt in het grensgebied tussen Holland en Vlaanderen. Zeeland valt in de 2e helft van de 12e  en de 13e  eeuw onder gezamenlijk bestuur van Holland en Vlaanderen (condominium). De graven van Holland laten echter geen middel onbenut om Zeeland onder volledige controle te krijgen.

Met een groeiende economie en bevolking zal ook de behoefte aan muntgeld sterk zijn toegenomen in de 13de eeuw. In tegenstelling tot het graafschap Holland, waar de muntproductie centraal plaatsvond, kende het graafschap Vlaanderen in de 2e helft van de 12e en de 13e eeuw vele  stedelijke, geestelijke en grafelijke munthuizen. Naar onze mening waren er voldoende ingrediënten voor het exploiteren van een munthuis in Middelburg, het bestuurlijk centrum en de belangrijkste stad in Zeeland Bewesten Schelde in deze periode. Door het ontbreken van schatvondsten (met andere 13e eeuwse munten) en het ontbreken van vondsten “in situ” tijdens opgravingen is een nauwkeuriger datering vooralsnog niet mogelijk.

Tot slot kan gemeld worden dat recent een tweetal tot nu toe onbekende, maar mogelijk aan deze reeks gerelateerde,  muntjes zijn gevonden.

Michiel Bil en Peter van Dijk

   

 
Verborgen verleden van Noord-Beveland  
(deel 2)
   

Op zaterdag 5 november 1530 werd door de Sint Felix vloed een tot nu toe nog vrij onbekend stukje geschiedenis van het eiland Noord-Beveland weggespoeld.  68 Jaar lang zorgden eb en vloed er voor dat de resten van bewoning van ongeveer 16 dorpen verdwenen onder een dikke laag Noord-Bevelandse klei.
Na de inpolderingen vanaf 1598 komen door verschillende omstandigheden soms oude puzzelstukjes te voorschijn die mijn fantasieën prikkelen en jullie hopelijk ook stimuleren om verder te zoeken naar het verborgen verleden van het eiland Noord-Beveland vóór 1530.
Zo ook dit verhaal uit de Middelburgsche courant van 16 december 1866.

De gevonden schedels zijn ter onderzoeking voor een deel afgestaan aan prof. J. van der Hoeven te Leiden en voor een ander deel aan doctor J.C. de Man te Middelburg. De meening nu van hen, die de opgravingen bestuurd hebben is deze, dat er daar ter plaatse een heiligdom, eene kapel misschien, met een kerkhof moet gestaan hebben, en waarschijnlijk in de buurt een dorp; de bovengemelde steen (zie deel 1) kan dan een ornament geweest zijn. Voor het oogenblik is niet meer te ontdekken, daar de afgegraven plaats nu voor het grootste gedeelte in eene diepe sloot is veranderd. De vraag doet zich natuurlijk voor: welk dorp kan dat geweest zijn? Ziet hier, wat het oordeel is van hen, die zich met het onderzoek daarnaar hebben bezig gehouden. ”Noord-Beveland was in vorige eeuwen een groot welvarend eiland, maar het had voortdurend met overstroomingen te worstelen. Eens in November 1530 was er een zoo hevige wind, dat geheel het eiland behalve een stuk aan de zijde van Kortgene, onderliep, maar ook dit stuk bezweek in November 1552. ”Nu bleef het zestig jaren onder water en dus onbewoonbaar, totdat men in 1598 den polder Oud Noord-Beveland ging bedijken, aan welke noordzijde de kuipe ligt, en waarbij men tevens Colijnsplaat bouwde en indijkte: in 1616 bedijkte men Nieuw Noord Beveland en zoo vervolgens. Noordwestelijk van de tegenwoordige kuipe bedijkte men in 1657 en in 1671 weder vele gronden: de eerste noemde men oud ‘sGravenhoeke, de laatste nieuw ‘sGravenhoeke; deze polders evenwel zijn in 1743 en 1732 weder ingeloopen en liggen nu nog in het water: de naam (en ambachts heerlijkheid van dien naam) is echter, zooals men weet, blijven bestaan. Vele dorpen zijn in het jaar 1530 te gelijk met onze kapel door de golven verzwolgen; de kronieken hebben namen bewaard, maar de juiste ligging van vele weet men niet. Dit evenwel kan men uit de kronieken (met name Smallegange) opmaken, dat in het Noorden gelegen hebben Vliete, Weele en Houcke. Vliete was een groot dorp met eene schoone kapel en met eene belangrijke haringvisscherij: toch schijnt Vliete ons niet toe het dorp der kuipe geweest te zijn; ik geloof dat het westelijker lag en meen dit te mogen opmaken uit de ligging van den tegenwoordigen Vlietenpolder. In de kroniek leest men, dat ten noord-noord-west buiten de heerlijkheid van Wissenkerke voorheen de dorpen Vliete en Weele lagen, en daar nu de kuipe niet ten noord-westen maar noord-noord-oostelijk van Wissenkerke ligt, meen ik, zoolang ik niets beters weet, het er voor te moeten houden, dat onze kapel, zoo er een dorp bij gestaan heeft, moet hebben behoord aan het dorp Houcke of Hoeke, waarvan Smallegange zegt, dat het als oude heerlijkheid ten noorden vast lag aan Noord-Beveland en dat men die heerlijkheid in zijnen tijd ’sGravenhoeke noemde. Is intusschen ons dorp het dorp Hoeke geweest en lagen de landen zijner heerlijkheid inderdaad daar, waar later de polder van Oud ‘sGravenhoeke lag, dan moet het dorp in het oostelijk deel  der heerlijkheid hebben gestaan. ”Thans is slechts dit als zekerheid aan te nemen, dat er in de kuipe een gebouw gestaan heeft met eene begraafplaats: gaarne laat ik het aan meer bevoegden of ook wel aan den tijd over, anders te beslissen. – Met dit mijn schrijven, waarvoor ik de gronden gedeeltelijk aan anderen heb te danken, heb ik geen ander doel, dan op het gewicht der plaats te wijzen, en om daarmede aan de besturen van polders, van dijken of van den waterstaat het verzoek te mogen richten, om als er later weder daar ter plaatse opgravingen mochten gebeuren, en deze iets aan het licht brachten, wat nu reeds meer dan 800 jaren verborgen ligt, daarmede òf mij òf anderen, die er belang in stellen, in kennis te willen brengen.
W.S. Praag te Colijnsplaat


Doctor, geneesheer, antropoloog en historicus  J.C. de Man heeft in 1866 in de “Wantjeskuipe” naast de vele skeletten de overblijfselen van een gebouw ontdekt en maakte hiervan de eerste notities; volgens zijn bevindingen gaat het om een kleine kapel.

Weet jij meer over de Wanteskuip te vertellen, of misschien heb je andere puzzelstukjes van dit verborgen verleden van Noord-Beveland voor 1530. Wij komen graag met je in contact, mail naar AWN-Zeeland info@panoramanoordbeveland.nl  t.a.v. Marten Klop.

Marten Klop



Foto van Dr. Johannes Cornelis de Man rond het einde van de negentiende eeuw. (Bron: Zeeuws Archief, Zeeuws Genootschap, Zelandia
Illustrata, vol. IV, nr. 155 – 19).

 



Door een gedeeltelijke dijkval in 1909 zorgden eb en vloed er voor dat in de loop der jaren meer van de funderingen bloot kwam te liggen. Dhr. C. van der Weele kon hierdoor in 1926 deze gedetailleerde tekening maken.
Klik hier voor een grotere versie.

   

 
Verborgen verleden van Noord-Beveland  
(deel 1)  
 
Op zaterdag 5 november 1530 werd door de Sint Felix vloed een groot deel van de geschiedenis van het eiland Noord-Beveland weggespoeld.  68 Jaar lang zorgden eb en vloed er voor dat de resten van bewoning van ongeveer 16 dorpen verdwenen onder een dikke laag klei.
Na de inpolderingen vanaf 1598 kwamen door verschillende oorzaken soms bewoningsresten aan het licht, oude puzzelstukjes die mijn fantasie prikkelen en jullie hopelijk ook stimuleren om verder te zoeken naar het verborgen verleden van het eiland Noord-Beveland vóór 1530.
Zo ook dit verhaal uit de Middelburgsche Courant van 16 december 1866.

Eenigen tijd geleden is in sommige dagbladen melding gemaakt van een oude begraafplaats die men in Noord-Beveland ontdekt zou hebben.
Later is niets meer van de zaak vernomen, doch heden ontvangen wij een mededeeling van de heer W.S. Praag te Colijnsplaat die door toevallige omstandigheden tot die zaak in betrekking gekomen is, waarvan wij gaarne door ons blad openbaarheid willen geven.
Eenige maanden geleden dan werden er opgravingen gedaan in het Noordelijk deel van dat eiland om grond te verkrijgen ten einde daarmede den zeedijk te herstellen, die even als in vroegere tijden ook nu nog in hooge mate door de zee bedreigd wordt, en tot wiens bescherming men in 1829 reeds een grooten inlaagdijk heeft aangelegd.
De plaats, waar men groef, heet de “Wantjes Kuipe”, dat is eene “kuipe’’ - een stukje van eene polder - dat afzonderlijk is ingedijkt -  die vroeger aan zekeren Wantje heeft toebehoord. Recht op die kuipe toe loopt de zoogenaamde Wantjes weg, en van den anderen kant de Noord Langeweg, en men vind de kuipe zelve o. a. afgeteekend op de bekende kaartjes van Hattinga - het is dan op die plaats, dat men bij het graven gevonden heeft een groot getal geraamten of stukken ervan, die voor een groot deel regelmatig naast elkander lagen, eenigszinds schuins met betrekking tot de richting van den dijk en met de hoofden naar het westen, terwijl men in vroegere jaren ook wel op andere plekken gronds in die kuipe menschenbeenderen had aangetroffen.
Bovendien vond men de overblijfselen van fondamenten van steen, en men verhaalt, dat men zoodanige steenen fondamenten vroeger ook gevonden heeft aan den zeekant van den dijk, zodat men vermoedt, dat daar binnen en buitendijks een dorp moet gelegen hebben.
De thans opgedolven stenen ontgingen in den beginne de opmerkzaamheid; later is het mij gelukt, behalve oude, zoogenaamde Zeeuwsche moppen zooals altoos met sterk cement vereend, nog te laten bewaren een gebakken steen van roode aarde, waarop in grove trekken een menschen gelaat was ingesneden, en dien ik de vrijheid heb genomen aan het Zeeuwsch genootschap aan te bieden met een, eveneens toen opgegraven, muntje.
Aan de goedheid van den heer A.H.G. Fokker hebben wij te danken, dat wij weten dat het is een zoogenaamd “Negenmannetje” geslagen onder de regeering van Philips den Goede (1430-1467) het welk eene waarde had van zes myten of anderhalve duit, en dat men gewoon was het als eene aalmoes aan de armen te geven. Van denzelfden tijd ongeveer vond men nog een ander stukje van geel koper, vermoedelijk van Franschen oorsprong. Een derde in de kuipe gevonden muntstuk doet hier niet ter zake: het is eene Zeeuwsche duit of oortje van 1836.


De gebakken steen met “menschen gelaat” ligt al meer dan 150 jaar in depot te wachten om haar verhaal te vertellen.  Heb jij misschien een idee of  ken je een vergelijkbare steen?
Of misschien heb je andere puzzelstukjes van dit verborgen verleden van Noord-Beveland voor 1530. Wij komen graag met je in contact.  Mail naar AWN-Zeeland info@panoramanoordbeveland.nl  t.a.v. Marten Klop
                                                                        
Marten Klop


Afb. 1. Gebakken steen van rode aarde, waarop in grove trekken een “menschen gelaat” is ingesneden. (foto Zeeuws Museum, collectie
Koninklijk Zeeuwsch Genootschap der Wetenschappen). Foto: Ivo Wennekes.




Afb. 2.  Het “Negenmanneke”, een benaming voor de kwart groot in de Zuidelijke Nederlanden; het betreft een kleine munt van zilver uit de periode 1434-1467.
Sinds de 14e eeuw is de duit voornamelijk in de Noordelijke Nederlanden de benaming van munten van ¼ groot (of 1/8 stuiver). In Vlaanderen en Brabant werden deze munten veelal zesken of negenmannekes genoemd, omdat zij overeenkwamen met zes Vlaamse of negen Brabantse mijten.

   

 
Aansluiting Werkgroep Archeologie Zundert bij de afd. Zeeland  
 

Enige tijd geleden kregen we een bericht van Annemiek van der Made, contactpersoon van de Werkgroep Archeologie van de Heemkundekring “De Drie Heerlijkheden” in Zundert.  De Werkgroep Archeologie is nieuw leven ingeblazen en zij hebben besloten om zich aan te sluiten bij de AWN afdeling Zeeland, net zoals enkele andere werkgroepen in West-Brabant.
 
Welkom namens ons bestuur!

Hieronder wat informatie over de werkgroep. Zie ook de website www.dedrieheerlijkheden.nl onder het kopje: Archeologie.

Onder de bezielende leiding van Hans Jochems werd in Zundert rond 1970 een archeologische werkgroep van de Heemkundekring “De Drie Heerlijkheden” opgericht.
 
In 1971 deed Hans Jochems, samen met vele anderen, archeologisch onderzoek naar de resten van de voormalige kerk op de Raamberg aan de Kerkhofstraat in Zundert. Een groot deel van de toen aangetroffen vondsten is nog steeds te zien in de permanente tentoonstelling van Cultureel Historisch Centrum “De Weeghreyse” . Rond 1995 is archeologisch onderzoek verricht naar Hof te Laer in Zundert. Er is ook medewerking verleend aan de totstandkoming van de gemeentelijke archeologiekaart. Door de inwerkingtreding van de Wet op de Archeologische Monumentenzorg in 2007 kwam aan die activiteiten een eind.  Archeologie werd een vak voor professionals. Dit betekende tevens een zachte dood voor de toenmalige archeologische werkgroep.
 
In 2017 is er door het bestuur van de Heemkundekring een voorzichtige herstart gemaakt met haar archeologische activiteiten. De werkgroep is inmiddels van start gegaan met een inventarisatie van alle reeds in Zundert uitgevoerde archeologische onderzoeken. Ook zijn er gesprekken gevoerd met diverse deskundigen.

De plannen zijn om twee keer per jaar een archeologische activiteit te organiseren.
In het voorjaar van 2019 willen we een akkerloop organiseren, waarbij archeologische resten met het blote -maar geoefende-  oog waarneembaar kunnen zijn! Kan dit om de een of andere reden niet doorgaan, dan is het alternatief een bezoek aan het nieuwe archeologisch depot van Erfgoed Breda.
In het najaar willen we graag een bodemvondstenmiddag organiseren. Het is de bedoeling dat mensen hun eigen archeologische vondsten mee brengen en deze laten determineren door deskundigen.

Annemiek van der Made, contactpersoon Werkgroep Archeologie.
 
   

 
Activiteitenverslag 2018 Stichting Stadsarcheologie Steenbergen  
 

Belangrijk was dat wij dit afgelopen jaar konden voorkomen dat resten van één van de oudste boerderijen in het ‘Oudland’ onder Steenbergen – daterend minstens uit de 17e eeuw - zonder archeologisch onderzoek zouden verdwijnen om plaats te maken voor nieuwbouw.
Het betreft boerderij ‘De Lantaarn’, waarvan zeker is dat er in ieder geval op 13 december 1521 op die plaats al een hoeve stond. Op die datum werd de hoeve namelijk al als belendend aan een ander goed vermeld.
Wij zijn nauw betrokken bij het bouwtechnisch en archeologisch onderzoek. Onze stichting maakt een verslag met beschrijving, foto’s en tekeningen van het gebouw. Een sluitsteen boven een doorgang in de gevel met het jaartal 1669 krijgt een plekje in de nieuwbouw die in de loop van 2019 zal worden voltooid. Verder krijgen delen van het gebouw die het waard zijn om behouden te worden, zoals duimstenen, oude vloertegels, oude dorpels en bouwstenen samen met de verzamelde gegevens een plaatsje in onze tentoonstellingsruimte.
Wij vinden dit van historisch belang en trachten met de verslaglegging de laatste tastbare sporen van een oud stukje Steenbergse geschiedenis vast te leggen voordat die in 2019 volledig zullen verdwijnen.

Verder blijft het restaureren van Steenbergse aardewerkvondsten een vast onderdeel van onze werkzaamheden.
Wij ontvingen dit jaar weer een Steenbergse scholier die met flink wat uurtjes in onze ruimte zijn maatschappelijke stage kon volgen.

Op de Nationale Archeologiedag op 14 oktober kon het publiek weer kennis nemen van de Steenbergse archeologische vondsten en wat er over te leren valt. Ook werden er fotoseries vertoond van archeologische onderzoeken, werkzaamheden aan Fort Henricus en aan Fort De Roovere en waren er foto’s van oud Steenbergen en De Heen te zien.
Als extra was er een grote kringloopmarkt met veel handige en leuke spulletjes, bedoeld om de kas van de stichting te versterken. De kleinsten konden zelf vuur maken op de manier zoals dat in de steentijd werd gedaan en mochten met pijl en boog schieten. Voor die activiteiten stonden er tenten op het buitenterrein.
Gedurende het jaar 2018 waren er een aantal open dagen waarop de tentoonstellingsruimte vrij toegankelijk was voor geïnteresseerden. Deze open dagen werden goed bezocht.

Ook werd dit jaar aangevangen met het maken van een digitaal bestand van de bibliotheek van de Stichting. Hierdoor enthousiast geworden is ook een aanvang gemaakt met het digitaliseren van de bodemvondsten. Naar het zich laat aanzien, zal het nog wel even duren voordat het klaar is.

Chris Duijvestijn


De gevelstenen van de gesloopte boerderij De Lantaarn bij Steenbergen.
Foto: Chris Duijvestijn.
   

 
Activiteiten van de Werkgroep Archeologie Halsteren  
 

onderdeel van de Heemkundekring Halchterth en de Werkgroep Archeologie Tholen (WAT er in de grond zit).

Deze werkgroepen komen al vele jaren bijeen in het heemhuis “Hof van Ram” van de Heemkundekring Halchterth/Halsteren en Lepelstraat in Halsteren. Zij werken aan de restauratie van de vondsten die gedaan zijn tussen 1987 en 1989 bij de Verkorting in de Halstersepolder  aan het Lange Water (een aftakking van de Oosterschelde). In de loop der eeuwen zijn er enorme hoeveelheden huisraad  in het Lange Water gegooid. De Verkorting was vanaf de late middeleeuwen het veer, de oversteekplaats van Halsteren naar Tholen. Bij nacht en ontij en vanwege eb en vloed werd er vaak overnacht in de herberg, genaamd ’t Waterhuisje, aan de Verkorting bij het veer.

We hebben naast de vele al samengestelde stukken keramiek nog zo’n 100 bananendozen te gaan, wat naar schatting nog een werktraject is van zeker 25 jaar. De focus heeft de laatste twee jaar gelegen in het restaureren van borden en schalen,  o.a. Noord-Hollands  materiaal, Werra, Delfts en Westerwald. Leuk is te vermelden dat dit gebied dan weer bij Zeeland hoorde en dan weer bij de Heren van Brabant. Iets meer westelijk van de Verkorting ligt het verdronken dorpje Polre. Oorspronkelijk was het een verdronken Brabants dorpje met een kerk dat met de aanleg van het Schelde-Rijnkanaal ongeveer voor de helft is weggebaggerd. De andere helft ligt onder de toen aangelegde dijk en een stukje ligt nog binnendijks. Het was een langgerekt dorp met lintbebouwing. Het Schelde-Rijnkanaal is de nieuwe grens geworden tussen Noord-Brabant en Zeeland en daarmee werd niet alleen Zeeland groter in oostelijke richting maar kreeg onze provincie er een verdronken grensdorp bij. Het wegbaggeren vond plaats in 1974 en Polre is hiermee het meest recente verdronken dorp en nog niet opgenomen in de inventarisatie van verdronken dorpen in Zeeland.

Aan het Lange Water ligt ook het dorpje Slikkenburg  waar bij de Watersnoodramp in 1953 meer dan 70 slachtoffers vielen te betreuren; het is nu een gehucht.

Het doel dat de werkgroepen zich stellen is de -archeologisch complete- keramiek volledig te restaureren en bij te schilderen om te laten zien hoe het ooit is geweest. Wel dient de keramiek zich er voor te lenen. Indien ons doel geen meerwaarde heeft, dan blijft het bij het samenvoegen van de scherven en hooguit de ontbrekende delen opvullen met gips ter versteviging.

De werkgroepen hebben er in de laatste twee jaar vier nieuwe leden bij gekregen, waarvan twee junioren. Eén lid is gestopt, twee andere leden komen vanwege gezondheidsproblemen onregelmatig.

Naast restauratie van de bodemvondsten van ’t Waterhuisje  doen de werkgroepen ook restauraties van de collectie van de Heemkundekring Halchterth. Ook particulieren komen regelmatig met verzoeken om restauraties. Dit kan gaan om keramiek, porselein, schilderijen en vondsten uit tijd van Napoleon en WO II.  De werkgroepen hebben bijvoorbeeld ook de inhoud van een kerststal van 100 jaar geleden gerestaureerd.

Nieuwe leden zijn van harte welkom.

Anton van Oost



Leden van de werkgroep aan het werk in het Heemhuis te Halsteren.
Foto: Werkgroep fotografie Halsteren.
   
   

 
Jaarverslag 2018 Werkgroep Archeologie Hulst (WAH)
   
Na diep en ernstig beraad is de beslissing gevallen om verder te gaan als onafhankelijke stichting: Werkgroep archeologie Hulst (WAH) met een eigen statuut. De werkgroep wordt ondersteund door de Gemeente Hulst, middels huisvesting en  financiële subsidiëring, en op inhoudelijke wijze door de adviseur archeologie. De officiële akte passeerde de notaris op 23 februari 2018. In een schrijven aan alle stakeholders is een en ander bekend gemaakt.

Een deel van het voorjaar werd in beslag genomen door de voorbereiding van de tentoonstelling ‘Vechten tegen de Bierkaai’ in het museum ‘De Vier Ambachten’. Een unieke collectie militaria, rijk becommentarieerd, werd van juli tot november bezocht door vele geïnteresseerden. Zeker mag hier ook vermeld worden dat bij de opening WAH-secretaris Edie Bogaert  voor zijn jarenlange inzet als vrijwilliger werd gelauwerd. In het kader van deze tentoonstelling is ook verder onderzoek gebeurd naar het ‘museumkanon’ dat hierbij ook gerestaureerd werd.

Gespreid over het jaar geschiedde er veldonderzoek op diverse locaties: Kloosterzande, Zaamslag, Saeftinghe en Koewacht. Met wisselend resultaat,  maar de veldloop op de pleistocene rug in Koewacht bracht een schat aan mesolithische vuurstenen artefacten aan het licht. Analyse van de vondsten moet nog volgen.

In het voorjaar werd assistentie verleend bij de opgraving op de Houtmarkt in Hulst. Het najaar stond in het teken van de opgraving en het onderzoek van het voormalige Minderbroederklooster op het ’s Gravenhofplein – Brouwerij; kloostermuren werden in kaart gebracht en een aantal skeletten werden blootgelegd en onderzocht.

Heel het jaar door is er ook vlijtig aandacht besteed aan het voorbereiden van een educatief project dat moet resulteren in een aantal archeo-workshops voor scholen en jongeren in algemeen. Eind december konden we een aantal activiteiten aanbieden: vuursteenbewerking, vuur maken, graan malen, vondstdeterminatie, metaaldetectie en het (na)bouwen van megalitische monumenten zoals Stonehenge en hunebedden.

Verschillende leden hebben diverse boeiende studiedagen bijgewoond: ZAAD Middelburg, Archeologiemiddag Sluis en de Contactdag Archeologie Oost-Vlaanderen Ename. Daarnaast is in oktober door Mark Zwartelé een excursie geleid naar de sites in het Verdronken Land van Saeftinghe voor leden en werknemers van BAAC.

Een bewogen…maar een rijk gevuld jaar!

Frits van Velzen, voorzitter


Leden van de WAH bekijken een aangespoelde veenbonk. Foto: WAH.
   

 
Jaaroverzicht AWN-Zeeland 2018
   
Bestuurszaken

Romeins aardewerk determineren is vooral zoeken in boeken! Foto: Joost van den Berg.

Het bestuur van de AWN afdeling Zeeland werd in 2018 gevormd door waarnemend secretaris Dicky de Koning-Kastelijn, penningmeester Niek Beeke en algemeen bestuurslid Hans de Vos. De vacatures van voorzitter en secretaris zijn vacant.
Het aantal leden bedroeg op 31-12-2018 in Zeeland 113 en in West Brabant 26. We mochten 5 nieuwe leden verwelkomen. Tien leden zegden hun lidmaatschap op of hebben verzuimd hun contributie te betalen. Dit jaar moesten we helaas afscheid nemen van ons AWN-lid Gerry van Eeden, actief lid van de Werkgroep Archeologie Hulst (WAH).
Het bestuur vergaderde 6 keer in Middelburg over allerlei  lopende zaken.
De jaarvergadering werd dit jaar gehouden in het Streekmuseum te St. Annaland, met aansluitend een rondleiding door het museum.

Eén bestuurslid bezocht het Regio-overleg in Dordrecht en twee bestuursleden bezochten de afgevaardigdenvergadering in Amersfoort.
 
Activiteiten

Er werden in totaal zes excursies georganiseerd, waarvan er vier zijn gerealiseerd: Antwerpen (2x), Dordrecht en Westdorpe/Sas van Gent. De geplande excursie naar Ieper is wegens te weinig deelname niet doorgaan. De excursie naar Loon op Zand werd afgelast wegens het slechte weer.
Samen met de Heemkundige Kring De Bevelanden organiseerden we een lezing en een rondwandeling in Goes en in Sas van Gent.

 
Contacten

Het kwartaalblad Zuidwesterheem verscheen vier keer en wordt digitaal verspreid. Enkele leden, heemkundige kringen, musea en archieven ontvangen een gedrukt exemplaar.
Dit jaar werd ook gestart met een maandelijkse (digitale) nieuwsbrief om de leden tussentijds op de hoogte te houden.
Onze website, www.awnzeeland.nl wordt beheerd en onderhouden door bestuurslid en penningmeester Niek Beeke.
Dit jaar was er 5 maal overleg met Robert van Dierendonck, adviseur archeologie, over allerlei activiteiten van de AWN en de SCEZ. Ook de ZAAD, georganiseerd door de SCEZ, was dit jaar weer een groot succes. Vrijwilligers en beroepsarcheologen uit Zeeland en Vlaanderen ontmoetten elkaar op de ZAAD en genoten van de diverse presentaties.
Met adviseur Nathalie de Visser (Edufact) vergaderde de Werkgroep Archeologie Hulst (WAH) 6 maal in 2018 over allerlei archeologische activiteiten in Zeeuws-Vlaanderen.
De WAH werd begin 2018 een stichting.  De leden kwamen vrijwel elke woensdagmiddag bijeen in “Het Verdiep”  in het ‘s Landshuis. In Sluis wordt momenteel een werkgroep opgericht onder de naam Werkgroep Archeologie Sluis (WAS).
Ook was er regelmatig contact met de diverse werkgroepen in Zeeland en West-Brabant.

 
Samenwerking

De vergaderingen van het Provinciaal Platform Vrijwilligersorganisaties werden bijgewoond door Dicky de Koning namens het bestuur samen met AWN-lid Ruud van der Goes. Het Platform kwam 5 maal bijeen bij de SCEZ. Uit dit Platform zijn twee belangengroepen ontstaan, namelijk het netwerk Erfgoed en Publiek en Erfgoed en Ruimte. Onder begeleiding van de SCEZ (in 2019 verder gaande onder de naam  Erfgoed Zeeland) gaan de aangesloten organisaties zich samen inzetten voor het Zeeuwse erfgoed.
Aan het opzetten van een nieuwe wandelroute op Tholen door het team Wandelnetwerk van de SLZ (Stichting Landschapsbeheer Zeeland) , werd deelgenomen door Dicky de Koning. Het doel was om vooral archeologische, geologische en historische objecten en waarden op te nemen in de te kiezen wandelroutes.
De tentoonstelling: “Reymerswaal van stad naar archeologisch monument”, in samenwerking met het archief van de gemeente en de OAS archeologie (Oosterschelderegio Archeologisch Samenwerkingsverband) in het gemeentehuis in Tholen opgezet, werd begin januari opgeruimd.
Aan de vernieuwing en uitbreiding van de tentoonstelling over het zoutzieden in Arnemuiden in het ’t Stadthuys Arnemuiden kon Dicky de Koning een steentje bijdragen met foto’s en adviezen.  
Bij de opening van een nieuwe tentoonstelling in Goes (stadskantoor) met o.a. de geschiedenis van het zoutzieden, waren een aantal AWN-leden aanwezig. 
In het dorpshuis MeerWaarde in Waarde werd in oktober de tentoonstelling “De Zee neemt en de Zee geeft” vernieuwd. De meeste vondsten van Valkenisse gingen weer terug naar het depot in Middelburg. Nu zijn er vondsten uit Waarde, Valkenisse en ook veel vondsten uit het Verdronken Oud-Rilland te zien. Dit waren destijds de grootste dorpen op het eiland Rilland, tussen Honte en Hinkele.
Op uitnodiging van de Oudheidkundige Kring “De Vier Ambachten” zijn een aantal leden van de AWN en de WAH naar een lezing geweest van de metaalspecialisten Stefanie Hoss en Gerald Grimm over de betekenis van de bijzondere vondsten uit de Haven van Hulst.

   
Werkzaamheden  

Door enkele AWN’ers werd 9 maal gewerkt voor de AWN in onze werkruimte.
Voor het depot werd onder leiding van de depotbeheerder 52 maal gewerkt aan de projecten: Oud-Sabbinge, vondsten gracht Middelburg, Ten Heggeler, Van der Tuin, veldlopen Colijnsplaat, vondsten Cappendijk en aan de voorbereiding van de tentoonstelling in Waarde.
Op verzoek maakte Leida Goldschmitz voor het Stadhuismuseum te Zierikzee en de SCEZ rond de 100 tekeningen van voorwerpen uit de collectie van het museum.
Door diverse archeologische bedrijven werd dit jaar 27 maal informatie gevraagd betreffende eventueel bij de AWN bekende vondsten, gedaan op plaatsen waar in de toekomst bodemverstoring zal plaats vinden.
Door de WAD (Walcherse Archeologische Dienst) werd assistentie gevraagd voor veldwerk in de wijk Paauwenburg in Vlissingen (voorburg vliedberg) en op het terrein van kasteel Sandenburgh in Veere (boringen, weerstandsmeting)
Door de Gemeente Goes werd begeleiding gevraagd bij graafwerkzaamheden voor nieuwbouw aan de Voorstad in Goes, bij de aanleg van de spooronderdoorgang.
Voor het Stadhuismuseum in Zierikzee zijn scherven gewassen, is 2 maal gewerkt aan een educatief project en is 19 maal  verder gewerkt aan de archeologische catalogus. De WAH assisteerde 4 maal de archeologen van Artefact in Hulst en verleende 4 maal hulp bij het sorteren en bij het invoeren in de database bij Artefact in Zaamslag. De schenking Cappendijk werd uitgezocht en doorgegeven aan het depot in Middelburg.

Met betrekking tot het project “Leemte in Kennis” van de Gemeente Terneuzen werd een  informatieavond gehouden en 1 keer een veldloop in Zaamslag.
 
   
Educatie  

Onder leiding van Karel-Jan Kerckhaert hebben enkele leden zich bekwaamd in het digitale tekenprogramma Inkscape ter vervanging van het handmatig inkten van tekeningen. Het is de bedoeling dat de tekeningen worden opgenomen in het Deventer Systeem.
Vanuit de SCEZ werd een educatief project opgestart voor de AWN met als thema: de Romeinen in Zeeland. Hierbij kwamen de vondsten van de Meinersweg aan de orde, een opgraving van de AWN uit 1975  Daaraan gekoppeld werden schervenavonden georganiseerd door de depotbeheerder Joost van den Berg om de keramiek te determineren. Met een groepje geïnteresseerden, gemiddeld 6 personen, gaan we in 2019 verder.
Enkele AWN-leden namen deel aan de Contactdag Archeologie in het Erfgoedcentrum in Ename, waar een educatief programma over de archeologie in Oost-Vlaanderen werd gepresenteerd.
Op twee basisscholen in Waarde en Rilland werd een archeologieles gegeven.

 
   
Promoten AWN  

Op de Oostkapelsedag, de archeologiemiddag in Sluis en op de NAD konden we de AWN meer bekendheid geven. Zo ook bij het zoutzieden: 5 maal  op de “Middeleeuwse Dagen”  in het museum Terra Maris (Oostkapelle) en 2 maal  bij het bezoekerscentrum “De Kraaijenberg”  onder Bergen op Zoom.

Dicky de Koning.

 
 
Archief Archief