home >> artikelen
   
 Walichrum, een vroegmiddeleeuwse handelsnederzetting op Walcheren (2019)  
Middeleeuwse muntslag in Zeeland (2019)  
Verborgen verleden van Noord-Beveland  (deel 2) (2019)  
Verborgen verleden van Noord-Beveland  (deel 1) (2019)  
Aansluiting Werkgroep Archeologie Zundert bij de afd. Zeeland (2019)  
Grondradaronderzoek Sandenburch (2019)  
Activiteitenverslag 2018 Stichting Stadsarcheologie Steenbergen (2019)  
Activiteiten van de Werkgroep Archeologie Halsteren (2019)  
Jaarverslag 2018 Werkgroep Archeologie Hulst (WAH) (2019)  
Jaaroverzicht AWN-Zeeland 2018 (2019)  
   
Archief  
 
Walichrum, een vroegmiddeleeuwse handelsnederzetting op Walcheren

Tekening: Lucy de Graaf.







Grafkist; litho naar een tekening van J.C. Frederiks: Zeeuws Archief, Zeeuws Genootschap, ZI 296-473c







Zilveren mantelpin; foto: A. Feldbrugge.
en vondsten in de collectie van het Zeeuws Genootschap
 

Het voormalige eiland Walcheren is al erg lang bewoond. Er zijn op diverse plaatsen archeologische vondsten uit de IJzertijd gedaan en van de aansluitende Romeinse tijd zijn bij veel mensen de votiefstenen van het tempelcomplex van Nehalennia ten noorden van Domburg  bekend.
Nadat het Romeinse bestuur werd opgeheven, is waarschijnlijk niet iedereen vertrokken, zoals in het verleden nogal eens vermeld werd. De zeespiegelrijzing maakte het achterland tot een waddengebied, het eiland werd een waddeneiland waar enkele schapenboeren zich gehandhaafd kunnen hebben. Ze vormden een kleine gemeenschap, net ten oosten  van Domburg, misschien omdat daar sinds mensenheugenis altijd een plaats voor verering van goden was geweest; het was een plaats van betekenis.

Gelegen aan de monding van de Schelde en beter met een schip te bereiken dan over land, ontplooide er zich opnieuw een belangrijke handelsnederzetting, villa Walichrum of Walacra genaamd, thuishorend in het rijtje Quentovic, Leffene en Dorestad.
De Friese bevolking die er woonde dreef handel met de andere Friese kustbewoners rond de Noordzee, met de Angelsaksen in Engeland en de Scandinaviërs van Noorwegen, Zweden en Denemarken. En ook Franken in het binnenland waren bereikbaar door middel van platbodemscheepjes over het tussenliggende wad. De vele vondsten die op het strand zijn gedaan, getuigen van verschillende modes in sieraden, van ambachten, jacht, strijd en handel door de vroege middeleeuwen heen.

In 1648 kwamen na een zware winterstorm de eerste Nehalenniastenen op het strand van Domburg aan het licht. De woeste golven hadden veel zand van het strand afgespoeld en de stenen kwamen bloot te liggen. Een paar jaar daarop kwam op dezelfde manier iets verderop naar het oosten een grafveld tevoorschijn van onder het zand, het eerste. In de resten van houten grafkisten lagen geraamtes van mannen en vrouwen met muntjes, mantelspelden, wapens, schenkgerei, etc. De bewoners van de kust-
dorpen noemden de plek sindsdien ‘de verdronken woninge der oude Gothen’; Roman Visscher noteert dit in 1656 op zijn kaart van Walcheren.
De nederzetting was niet op het strand gebouwd, maar lag oorspronkelijk achter de duinen, beschut tegen de zee. De heersende westenwinden bliezen de  duinen in de loop van de eeuwen echter steeds meer landinwaarts en in het begin van de 11e eeuw besloten de bewoners hun boeltje op te pakken en verderop te gaan wonen. Maar de grafvelden bleven natuurlijk liggen. Het hele dorp verdween onder het zand … en kwam daarna op het strand weer voorschijn.

Boeren, burgers en buitenlui raapten in de eeuwen daarna op wat er te vinden was; vooral de gouden, zilveren en bronzen voorwerpjes waren natuurlijk geliefd.
Toen in ca. 1800 A.D. de numismaat C.A. Rethaan Macaré conservator werd van de archeologische collectie van het Zeeuwsch Genootschap der Wetenschappen, kocht hij veel van deze metalen vondsten aan. Niet alleen de munten, maar ook fibula’s en andere siervoorwerpjes. Ook latere conservatoren van het Zeeuws Genootschap kochten voorwerpen aan, of kregen ze als geschenk voor het Genootschap.
De kunstenaar J.C. Frederiks uit Oostkapelle maakte in 1866 een aantal schetsen van  de zichtbare sporen op het strand. Niet alleen de achtergelaten graven, maar ook de resten van diverse gebouwen waren toen nog te zien. Deze tekeningen zijn bewaard gebleven.
Pas een eeuw later kwam er ook interesse voor ander materiaal. Zo groef de bioloog en  conservator van het Zeeuws Genootschap drs. P.J. van der Feen diverse putjes met botmateriaal uit en ir. J. A. Trimpe Burger stelde als beginnend  archeoloog  belangrijk aardewerk veilig, scherven, maar ook archeologisch compleet vaatwerk.

Het Zeeuws Genootschap bestaat dit jaar 250 jaar.
Met de archeologische vondsten van het Zeeuws Genootschap, enkele vondsten van Erfgoed Zeeland en het RMO in Leiden, is in museum Terra Maris getracht een beeld te schetsen van het dagelijkse leven in Walichrum, van ca. 600-1030 A.D.  
Het is een tentoonstelling die geschikt is voor zowel kinderen en volwassenen, onder de titel: “Vikingen op Walcheren? vondsten, verhalen, feiten en fabels”.
Dat er Vikingen op Walcheren zijn geweest, weten we uit geschriften uit die tijd, maar er is tot nu toe op het strand niets van hen teruggevonden. Er zijn wel objecten gevonden met duidelijk Scandinavische invloed, maar die kunnen ook door aankoop, ruiling, schenking of verliezen in Walichrum verzeild geraakt zijn. De tentoonstelling gaat dus over de plaatselijke Friese bevolking.

Veel van de functie van de voorwerpjes wordt in de tentoonstelling verklaard aan de hand van sfeervolle tekeningen van Lucy de Graaf.
Een catalogus met een uitgebreidere toelichting en de gegevens van de voorwerpen is te downloaden van: www.kzgw.nl> Collecties> Archeologische collectie> Walichrum.

De andere vier jubileumtentoonstellingen van het Zeeuws Genootschap hebben ook te maken met bodemvondsten, maar dan uit andere collecties. Te zien is:
In het Stadsmuseum van Zierikzee: “ De Zeeuwse IJstijd”, fossiele botten van het Zeeuws Genootschap: een ontdekkingstocht.
In Museum De Bevelanden in Goes: “uitMUNTend!”,  Zeeuwse munten en penningen.
In Museum Het  Warenhuis in Axel:  “Kijk naar beneden, dan zie je meer”,  met schelpen en fossielen uit Zeeuws-Vlaanderen en de Westerschelde.
In het Belfort in Sluis : “Vaste voet in Vlaanderen. Kaarten en prenten uit de ‘Zelandia Illustrata”, over de verovering van westelijk Staats-Vlaanderen in de eerste helft van de 17e eeuw, opent omstreeks november.

Aagje Feldbrugge, conservator archeologische voorwerpen bij het KZGW.

   

 
Middeleeuwse muntslag in Zeeland  
 

Soms valt een bepaald munttype op omdat je dat zeer regelmatig vindt in een bepaald gebied.  Zo is er een bepaald type lichte Vlaamse penning dat regelmatig wordt gevonden op Walcheren op locaties met vondsten uit de 12e en 13e eeuw. Dit was opgevallen bij de twee schrijvers van dit artikel en onafhankelijk van elkaar waren ze begonnen met dit verder uit te zoeken. In 2018 hebben zij de handen ineen geslagen en besloten dit verder samen op te pakken. Dit artikel betreft slechts een eerste aanzet. Volgend jaar zal er een uitgebreider artikel worden opgenomen in het jaarboek van het Koninklijk Nederlands Genootschap voor Munt- en Penningkunde.

Van de huidige provincie Zeeland zijn slechts enkele uiterst zeldzame middeleeuwse munttypen bekend. Uit de voor Zeeland zeer bewogen 13e eeuw is tot nu toe geen enkel muntstuk aan dit gewest toegewezen. De lichte Vlaamse penningen van het type Ghijssens 514, 515, 516 en 517 worden van oudsher toegeschreven aan drie mogelijke muntplaatsen, te weten: Middelburg, Doornik of St Omaars. Het door Ghyssens beschreven type 516 is identiek aan 515, dus in dit artikel worden 3 types beschreven.

Aan de hand van een inventarisatie van teruggevonden exemplaren hebben we aannemelijk kunnen maken dat deze lichte Vlaamse penningen slechts geslagen kunnen zijn op Walcheren. Er zijn in totaal 135 penningen door ons teruggevonden van het type Ghs.514-517. De nationale collecties van België en Nederland en de collectie van het Zeeuws Genootschap zijn geraadpleegd. Numis (Numismatisch Informatie Systeem) en PAN (Portable Antiquities of the Netherlands) zijn doorgenomen. Veilingcatalogi van de bekende veilinghuizen zijn doorzocht en er zijn oproepen geplaatst in De Detector Amateur, Westerheem, het tijdschrift van de AWN, en op diverse fora en facebookgroepen in Nederland, België en Noord-Frankrijk. Er zijn specifieke particuliere verzamelingen en vondstgegevens geraadpleegd van een aantal detectorzoekers uit Zeeland. Het overzicht geeft geen absolute opsomming en beoogt niet volledig te zijn, maar slechts een inzicht te geven in de herkomst/vindplaats van deze penningen en zo mogelijk het gewicht en de diameter te bepalen.

Van het type Ghs.514 zijn er 36 exemplaren teruggevonden, 32 hele penningen en 4 gehalveerde.
Van 28 van de 36 exemplaren is de herkomst bekend. Van drie exemplaren weten we dat de oorsprong Zeeuws is, maar is de vondstlocatie onbekend (vermoedelijk Domburg, Walcheren). Het betreft hier een stuk uit de collectie De Man, een stuk door S.H. van der Noordaa (munt- en penningkundige)  geschonken aan het Koninklijk Penning Kabinet en een stuk uit de collectie Hubregtse, thans collectie KZGW.  
Marie de Man was van 1889-1933 conservator van het penningkabinet van het Zeeuws Genootschap en publiceerde vele artikelen over munten en penningen.
J.A. Hubregtse (1878-1940) was onderwijzer in Haamstede en amateurarcheoloog.
Slechts één exemplaar is teruggevonden in Numis en dat betreft mogelijk een exemplaar uit een privécollectie.

Voor de verspreidingskaart zijn er dus 25 gebruikt. Hiervan zijn er 22 stuks gevonden op Walcheren, 2 nabij Goes op Zuid-Beveland en 1 in Alphen aan de Rijn, in Holland.

Ghyssens 514



Voorzijde (links): centrale rechte staf met puntcirkel in het midden, aan weerszijden geflankeerd door een kleinere staf welke aan de buitenzijde is geflankeerd door een puntcirkel. Het geheel in een buitencirkel van streepjes.
Keerzijde (rechts): leliekruis met puntcirkel in het midden in een binnencirkel en een buitencirkel van streepjes. Gemiddelde doorsnede: 10 mm; gemiddeld gewicht: 0,33 g.




Vondstkaart met verspreiding Ghs. 514.


Ghyssens 515


Voorzijde (links): centrale kromstaf naar links met puntcirkel, aan weerszijden geflankeerd door een kleinere staf welke aan de buitenzijde is geflankeerd door een puntcirkel in een buitencirkel van streepjes.
Keerzijde (rechts): leliekruis met puntcirkel in het midden in een buitencirkel van streepjes. Gemiddelde doorsnede: 10 mm; gemiddeld gewicht: 0,33 g.




Vondstkaart met verspreiding Ghs. 515.


Ghyssens 517


Voorzijde (links): rechts en links van het midden een naar buiten gedraaide kromstaf aan weerszijden
geflankeerd door een lelie in een buitencirkel van streepjes.
Keerzijde (rechts): leliekruis met puntcirkel in het midden in een buitencirkel van streepjes. Gemiddelde doorsnede: 10 mm; gemiddeld gewicht: 0,33 g.




Vondstkaart met verspreiding Ghs. 517.
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 

Van het type Ghs.515 zijn er 37 exemplaren teruggevonden, 32 hele penningen en 5 gehalveerde.
Van 27 van de 37 exemplaren is de herkomst bekend. Van één exemplaar is bekend dat de oorsprong Zeeuws is, maar de vondstlocatie is onbekend (mogelijk Domburg). Het betreft hier een stuk uit de collectie De Man.

Voor de verspreidingskaart zijn er dus 26 gebruikt. 25 Stuks zijn gevonden op Walcheren, 1 exemplaar is gevonden in de omgeving van Egmond. De omgeving van Egmond is een bekende vondstlocatie waar detectorzoekers vele 12e en 13e eeuwse penningen hebben gevonden.

Van het type Gh.517 zijn er 65 exemplaren teruggevonden, te weten 60 hele penningen en 5 gehalveerde exemplaren.
Van 44 van de 61 exemplaren is de herkomst bekend. Van vijf exemplaren weten we dat de oorsprong Zeeuws is,  maar de vondstlocatie onbekend. Domburg en/ of Schouwen zijn hier mogelijke vondstlocaties, maar dat is niet te bewijzen. Het betreft hier drie stuks uit de verzameling Hubregtse, een stuk uit de collectie De Man en een door Van der Noordaa geschonken exemplaar.

Voor de verspreidingskaart zijn er dan ook 39 gebruikt. 38 Stuks zijn gevonden op Walcheren en 1 penning is gevonden in Damme, Noordwest Vlaanderen.
 

Economisch gezien gaat het Zeeland vanaf de 12e eeuw voor de wind. De bevolking groeit enorm en het zwaartepunt verloopt van veeteelt naar landbouw, handel en scheepvaart. Steden zoals Middelburg, Zierikzee, Westkapelle en Domburg maken een enorme groei door en krijgen alle nieuwe of vernieuwde keuren (statuut, plaatselijke privileges, voorrechten en verordeningen) in de relatief vredige eerste helft van de 13e eeuw.
De Zeeuwse eilanden Bewesten Schelde met als kerngebied Walcheren liggen uiterst gunstig aan de hoofdvaarwegen naar het Vlaamse achterland. Middelburg is het bestuurlijk centrum. Zeeland is voor de Vlaamse handel op Engeland en het Rijnland een strategisch en economisch interessant en belangrijk gebied.

Kerkelijk valt Zeeland onder het bisdom Utrecht en is de Abdij een belangrijke machtsfactor met al haar bezittingen en grafelijke privileges. Zeeland Bewesten Schelde ligt in het grensgebied tussen Holland en Vlaanderen. Zeeland valt in de 2e helft van de 12e  en de 13e  eeuw onder gezamenlijk bestuur van Holland en Vlaanderen (condominium). De graven van Holland laten echter geen middel onbenut om Zeeland onder volledige controle te krijgen.

Met een groeiende economie en bevolking zal ook de behoefte aan muntgeld sterk zijn toegenomen in de 13de eeuw. In tegenstelling tot het graafschap Holland, waar de muntproductie centraal plaatsvond, kende het graafschap Vlaanderen in de 2e helft van de 12e en de 13e eeuw vele  stedelijke, geestelijke en grafelijke munthuizen. Naar onze mening waren er voldoende ingrediënten voor het exploiteren van een munthuis in Middelburg, het bestuurlijk centrum en de belangrijkste stad in Zeeland Bewesten Schelde in deze periode. Door het ontbreken van schatvondsten (met andere 13e eeuwse munten) en het ontbreken van vondsten “in situ” tijdens opgravingen is een nauwkeuriger datering vooralsnog niet mogelijk.

Tot slot kan gemeld worden dat recent een tweetal tot nu toe onbekende, maar mogelijk aan deze reeks gerelateerde,  muntjes zijn gevonden.

Michiel Bil en Peter van Dijk

   

 
Verborgen verleden van Noord-Beveland  
(deel 2)
   

Op zaterdag 5 november 1530 werd door de Sint Felix vloed een tot nu toe nog vrij onbekend stukje geschiedenis van het eiland Noord-Beveland weggespoeld.  68 Jaar lang zorgden eb en vloed er voor dat de resten van bewoning van ongeveer 16 dorpen verdwenen onder een dikke laag Noord-Bevelandse klei.
Na de inpolderingen vanaf 1598 komen door verschillende omstandigheden soms oude puzzelstukjes te voorschijn die mijn fantasieën prikkelen en jullie hopelijk ook stimuleren om verder te zoeken naar het verborgen verleden van het eiland Noord-Beveland vóór 1530.
Zo ook dit verhaal uit de Middelburgsche courant van 16 december 1866.

De gevonden schedels zijn ter onderzoeking voor een deel afgestaan aan prof. J. van der Hoeven te Leiden en voor een ander deel aan doctor J.C. de Man te Middelburg. De meening nu van hen, die de opgravingen bestuurd hebben is deze, dat er daar ter plaatse een heiligdom, eene kapel misschien, met een kerkhof moet gestaan hebben, en waarschijnlijk in de buurt een dorp; de bovengemelde steen (zie deel 1) kan dan een ornament geweest zijn. Voor het oogenblik is niet meer te ontdekken, daar de afgegraven plaats nu voor het grootste gedeelte in eene diepe sloot is veranderd. De vraag doet zich natuurlijk voor: welk dorp kan dat geweest zijn? Ziet hier, wat het oordeel is van hen, die zich met het onderzoek daarnaar hebben bezig gehouden. ”Noord-Beveland was in vorige eeuwen een groot welvarend eiland, maar het had voortdurend met overstroomingen te worstelen. Eens in November 1530 was er een zoo hevige wind, dat geheel het eiland behalve een stuk aan de zijde van Kortgene, onderliep, maar ook dit stuk bezweek in November 1552. ”Nu bleef het zestig jaren onder water en dus onbewoonbaar, totdat men in 1598 den polder Oud Noord-Beveland ging bedijken, aan welke noordzijde de kuipe ligt, en waarbij men tevens Colijnsplaat bouwde en indijkte: in 1616 bedijkte men Nieuw Noord Beveland en zoo vervolgens. Noordwestelijk van de tegenwoordige kuipe bedijkte men in 1657 en in 1671 weder vele gronden: de eerste noemde men oud ‘sGravenhoeke, de laatste nieuw ‘sGravenhoeke; deze polders evenwel zijn in 1743 en 1732 weder ingeloopen en liggen nu nog in het water: de naam (en ambachts heerlijkheid van dien naam) is echter, zooals men weet, blijven bestaan. Vele dorpen zijn in het jaar 1530 te gelijk met onze kapel door de golven verzwolgen; de kronieken hebben namen bewaard, maar de juiste ligging van vele weet men niet. Dit evenwel kan men uit de kronieken (met name Smallegange) opmaken, dat in het Noorden gelegen hebben Vliete, Weele en Houcke. Vliete was een groot dorp met eene schoone kapel en met eene belangrijke haringvisscherij: toch schijnt Vliete ons niet toe het dorp der kuipe geweest te zijn; ik geloof dat het westelijker lag en meen dit te mogen opmaken uit de ligging van den tegenwoordigen Vlietenpolder. In de kroniek leest men, dat ten noord-noord-west buiten de heerlijkheid van Wissenkerke voorheen de dorpen Vliete en Weele lagen, en daar nu de kuipe niet ten noord-westen maar noord-noord-oostelijk van Wissenkerke ligt, meen ik, zoolang ik niets beters weet, het er voor te moeten houden, dat onze kapel, zoo er een dorp bij gestaan heeft, moet hebben behoord aan het dorp Houcke of Hoeke, waarvan Smallegange zegt, dat het als oude heerlijkheid ten noorden vast lag aan Noord-Beveland en dat men die heerlijkheid in zijnen tijd ’sGravenhoeke noemde. Is intusschen ons dorp het dorp Hoeke geweest en lagen de landen zijner heerlijkheid inderdaad daar, waar later de polder van Oud ‘sGravenhoeke lag, dan moet het dorp in het oostelijk deel  der heerlijkheid hebben gestaan. ”Thans is slechts dit als zekerheid aan te nemen, dat er in de kuipe een gebouw gestaan heeft met eene begraafplaats: gaarne laat ik het aan meer bevoegden of ook wel aan den tijd over, anders te beslissen. – Met dit mijn schrijven, waarvoor ik de gronden gedeeltelijk aan anderen heb te danken, heb ik geen ander doel, dan op het gewicht der plaats te wijzen, en om daarmede aan de besturen van polders, van dijken of van den waterstaat het verzoek te mogen richten, om als er later weder daar ter plaatse opgravingen mochten gebeuren, en deze iets aan het licht brachten, wat nu reeds meer dan 800 jaren verborgen ligt, daarmede òf mij òf anderen, die er belang in stellen, in kennis te willen brengen.
W.S. Praag te Colijnsplaat


Doctor, geneesheer, antropoloog en historicus  J.C. de Man heeft in 1866 in de “Wantjeskuipe” naast de vele skeletten de overblijfselen van een gebouw ontdekt en maakte hiervan de eerste notities; volgens zijn bevindingen gaat het om een kleine kapel.

Weet jij meer over de Wanteskuip te vertellen, of misschien heb je andere puzzelstukjes van dit verborgen verleden van Noord-Beveland voor 1530. Wij komen graag met je in contact, mail naar AWN-Zeeland info@panoramanoordbeveland.nl  t.a.v. Marten Klop.

Marten Klop



Foto van Dr. Johannes Cornelis de Man rond het einde van de negentiende eeuw. (Bron: Zeeuws Archief, Zeeuws Genootschap, Zelandia
Illustrata, vol. IV, nr. 155 – 19).

 



Door een gedeeltelijke dijkval in 1909 zorgden eb en vloed er voor dat in de loop der jaren meer van de funderingen bloot kwam te liggen. Dhr. C. van der Weele kon hierdoor in 1926 deze gedetailleerde tekening maken.
Klik hier voor een grotere versie.

   

 
Verborgen verleden van Noord-Beveland  
(deel 1)  
 
Op zaterdag 5 november 1530 werd door de Sint Felix vloed een groot deel van de geschiedenis van het eiland Noord-Beveland weggespoeld.  68 Jaar lang zorgden eb en vloed er voor dat de resten van bewoning van ongeveer 16 dorpen verdwenen onder een dikke laag klei.
Na de inpolderingen vanaf 1598 kwamen door verschillende oorzaken soms bewoningsresten aan het licht, oude puzzelstukjes die mijn fantasie prikkelen en jullie hopelijk ook stimuleren om verder te zoeken naar het verborgen verleden van het eiland Noord-Beveland vóór 1530.
Zo ook dit verhaal uit de Middelburgsche Courant van 16 december 1866.

Eenigen tijd geleden is in sommige dagbladen melding gemaakt van een oude begraafplaats die men in Noord-Beveland ontdekt zou hebben.
Later is niets meer van de zaak vernomen, doch heden ontvangen wij een mededeeling van de heer W.S. Praag te Colijnsplaat die door toevallige omstandigheden tot die zaak in betrekking gekomen is, waarvan wij gaarne door ons blad openbaarheid willen geven.
Eenige maanden geleden dan werden er opgravingen gedaan in het Noordelijk deel van dat eiland om grond te verkrijgen ten einde daarmede den zeedijk te herstellen, die even als in vroegere tijden ook nu nog in hooge mate door de zee bedreigd wordt, en tot wiens bescherming men in 1829 reeds een grooten inlaagdijk heeft aangelegd.
De plaats, waar men groef, heet de “Wantjes Kuipe”, dat is eene “kuipe’’ - een stukje van eene polder - dat afzonderlijk is ingedijkt -  die vroeger aan zekeren Wantje heeft toebehoord. Recht op die kuipe toe loopt de zoogenaamde Wantjes weg, en van den anderen kant de Noord Langeweg, en men vind de kuipe zelve o. a. afgeteekend op de bekende kaartjes van Hattinga - het is dan op die plaats, dat men bij het graven gevonden heeft een groot getal geraamten of stukken ervan, die voor een groot deel regelmatig naast elkander lagen, eenigszinds schuins met betrekking tot de richting van den dijk en met de hoofden naar het westen, terwijl men in vroegere jaren ook wel op andere plekken gronds in die kuipe menschenbeenderen had aangetroffen.
Bovendien vond men de overblijfselen van fondamenten van steen, en men verhaalt, dat men zoodanige steenen fondamenten vroeger ook gevonden heeft aan den zeekant van den dijk, zodat men vermoedt, dat daar binnen en buitendijks een dorp moet gelegen hebben.
De thans opgedolven stenen ontgingen in den beginne de opmerkzaamheid; later is het mij gelukt, behalve oude, zoogenaamde Zeeuwsche moppen zooals altoos met sterk cement vereend, nog te laten bewaren een gebakken steen van roode aarde, waarop in grove trekken een menschen gelaat was ingesneden, en dien ik de vrijheid heb genomen aan het Zeeuwsch genootschap aan te bieden met een, eveneens toen opgegraven, muntje.
Aan de goedheid van den heer A.H.G. Fokker hebben wij te danken, dat wij weten dat het is een zoogenaamd “Negenmannetje” geslagen onder de regeering van Philips den Goede (1430-1467) het welk eene waarde had van zes myten of anderhalve duit, en dat men gewoon was het als eene aalmoes aan de armen te geven. Van denzelfden tijd ongeveer vond men nog een ander stukje van geel koper, vermoedelijk van Franschen oorsprong. Een derde in de kuipe gevonden muntstuk doet hier niet ter zake: het is eene Zeeuwsche duit of oortje van 1836.


De gebakken steen met “menschen gelaat” ligt al meer dan 150 jaar in depot te wachten om haar verhaal te vertellen.  Heb jij misschien een idee of  ken je een vergelijkbare steen?
Of misschien heb je andere puzzelstukjes van dit verborgen verleden van Noord-Beveland voor 1530. Wij komen graag met je in contact.  Mail naar AWN-Zeeland info@panoramanoordbeveland.nl  t.a.v. Marten Klop
                                                                        
Marten Klop


Afb. 1. Gebakken steen van rode aarde, waarop in grove trekken een “menschen gelaat” is ingesneden. (foto Zeeuws Museum, collectie
Koninklijk Zeeuwsch Genootschap der Wetenschappen). Foto: Ivo Wennekes.




Afb. 2.  Het “Negenmanneke”, een benaming voor de kwart groot in de Zuidelijke Nederlanden; het betreft een kleine munt van zilver uit de periode 1434-1467.
Sinds de 14e eeuw is de duit voornamelijk in de Noordelijke Nederlanden de benaming van munten van ¼ groot (of 1/8 stuiver). In Vlaanderen en Brabant werden deze munten veelal zesken of negenmannekes genoemd, omdat zij overeenkwamen met zes Vlaamse of negen Brabantse mijten.

   

 
Aansluiting Werkgroep Archeologie Zundert bij de afd. Zeeland  
 

Enige tijd geleden kregen we een bericht van Annemiek van der Made, contactpersoon van de Werkgroep Archeologie van de Heemkundekring “De Drie Heerlijkheden” in Zundert.  De Werkgroep Archeologie is nieuw leven ingeblazen en zij hebben besloten om zich aan te sluiten bij de AWN afdeling Zeeland, net zoals enkele andere werkgroepen in West-Brabant.
 
Welkom namens ons bestuur!

Hieronder wat informatie over de werkgroep. Zie ook de website www.dedrieheerlijkheden.nl onder het kopje: Archeologie.

Onder de bezielende leiding van Hans Jochems werd in Zundert rond 1970 een archeologische werkgroep van de Heemkundekring “De Drie Heerlijkheden” opgericht.
 
In 1971 deed Hans Jochems, samen met vele anderen, archeologisch onderzoek naar de resten van de voormalige kerk op de Raamberg aan de Kerkhofstraat in Zundert. Een groot deel van de toen aangetroffen vondsten is nog steeds te zien in de permanente tentoonstelling van Cultureel Historisch Centrum “De Weeghreyse” . Rond 1995 is archeologisch onderzoek verricht naar Hof te Laer in Zundert. Er is ook medewerking verleend aan de totstandkoming van de gemeentelijke archeologiekaart. Door de inwerkingtreding van de Wet op de Archeologische Monumentenzorg in 2007 kwam aan die activiteiten een eind.  Archeologie werd een vak voor professionals. Dit betekende tevens een zachte dood voor de toenmalige archeologische werkgroep.
 
In 2017 is er door het bestuur van de Heemkundekring een voorzichtige herstart gemaakt met haar archeologische activiteiten. De werkgroep is inmiddels van start gegaan met een inventarisatie van alle reeds in Zundert uitgevoerde archeologische onderzoeken. Ook zijn er gesprekken gevoerd met diverse deskundigen.

De plannen zijn om twee keer per jaar een archeologische activiteit te organiseren.
In het voorjaar van 2019 willen we een akkerloop organiseren, waarbij archeologische resten met het blote -maar geoefende-  oog waarneembaar kunnen zijn! Kan dit om de een of andere reden niet doorgaan, dan is het alternatief een bezoek aan het nieuwe archeologisch depot van Erfgoed Breda.
In het najaar willen we graag een bodemvondstenmiddag organiseren. Het is de bedoeling dat mensen hun eigen archeologische vondsten mee brengen en deze laten determineren door deskundigen.

Annemiek van der Made, contactpersoon Werkgroep Archeologie.
 
   

 
Activiteitenverslag 2018 Stichting Stadsarcheologie Steenbergen  
 

Belangrijk was dat wij dit afgelopen jaar konden voorkomen dat resten van één van de oudste boerderijen in het ‘Oudland’ onder Steenbergen – daterend minstens uit de 17e eeuw - zonder archeologisch onderzoek zouden verdwijnen om plaats te maken voor nieuwbouw.
Het betreft boerderij ‘De Lantaarn’, waarvan zeker is dat er in ieder geval op 13 december 1521 op die plaats al een hoeve stond. Op die datum werd de hoeve namelijk al als belendend aan een ander goed vermeld.
Wij zijn nauw betrokken bij het bouwtechnisch en archeologisch onderzoek. Onze stichting maakt een verslag met beschrijving, foto’s en tekeningen van het gebouw. Een sluitsteen boven een doorgang in de gevel met het jaartal 1669 krijgt een plekje in de nieuwbouw die in de loop van 2019 zal worden voltooid. Verder krijgen delen van het gebouw die het waard zijn om behouden te worden, zoals duimstenen, oude vloertegels, oude dorpels en bouwstenen samen met de verzamelde gegevens een plaatsje in onze tentoonstellingsruimte.
Wij vinden dit van historisch belang en trachten met de verslaglegging de laatste tastbare sporen van een oud stukje Steenbergse geschiedenis vast te leggen voordat die in 2019 volledig zullen verdwijnen.

Verder blijft het restaureren van Steenbergse aardewerkvondsten een vast onderdeel van onze werkzaamheden.
Wij ontvingen dit jaar weer een Steenbergse scholier die met flink wat uurtjes in onze ruimte zijn maatschappelijke stage kon volgen.

Op de Nationale Archeologiedag op 14 oktober kon het publiek weer kennis nemen van de Steenbergse archeologische vondsten en wat er over te leren valt. Ook werden er fotoseries vertoond van archeologische onderzoeken, werkzaamheden aan Fort Henricus en aan Fort De Roovere en waren er foto’s van oud Steenbergen en De Heen te zien.
Als extra was er een grote kringloopmarkt met veel handige en leuke spulletjes, bedoeld om de kas van de stichting te versterken. De kleinsten konden zelf vuur maken op de manier zoals dat in de steentijd werd gedaan en mochten met pijl en boog schieten. Voor die activiteiten stonden er tenten op het buitenterrein.
Gedurende het jaar 2018 waren er een aantal open dagen waarop de tentoonstellingsruimte vrij toegankelijk was voor geïnteresseerden. Deze open dagen werden goed bezocht.

Ook werd dit jaar aangevangen met het maken van een digitaal bestand van de bibliotheek van de Stichting. Hierdoor enthousiast geworden is ook een aanvang gemaakt met het digitaliseren van de bodemvondsten. Naar het zich laat aanzien, zal het nog wel even duren voordat het klaar is.

Chris Duijvestijn


De gevelstenen van de gesloopte boerderij De Lantaarn bij Steenbergen.
Foto: Chris Duijvestijn.
   

 
Activiteiten van de Werkgroep Archeologie Halsteren  
 

onderdeel van de Heemkundekring Halchterth en de Werkgroep Archeologie Tholen (WAT er in de grond zit).

Deze werkgroepen komen al vele jaren bijeen in het heemhuis “Hof van Ram” van de Heemkundekring Halchterth/Halsteren en Lepelstraat in Halsteren. Zij werken aan de restauratie van de vondsten die gedaan zijn tussen 1987 en 1989 bij de Verkorting in de Halstersepolder  aan het Lange Water (een aftakking van de Oosterschelde). In de loop der eeuwen zijn er enorme hoeveelheden huisraad  in het Lange Water gegooid. De Verkorting was vanaf de late middeleeuwen het veer, de oversteekplaats van Halsteren naar Tholen. Bij nacht en ontij en vanwege eb en vloed werd er vaak overnacht in de herberg, genaamd ’t Waterhuisje, aan de Verkorting bij het veer.

We hebben naast de vele al samengestelde stukken keramiek nog zo’n 100 bananendozen te gaan, wat naar schatting nog een werktraject is van zeker 25 jaar. De focus heeft de laatste twee jaar gelegen in het restaureren van borden en schalen,  o.a. Noord-Hollands  materiaal, Werra, Delfts en Westerwald. Leuk is te vermelden dat dit gebied dan weer bij Zeeland hoorde en dan weer bij de Heren van Brabant. Iets meer westelijk van de Verkorting ligt het verdronken dorpje Polre. Oorspronkelijk was het een verdronken Brabants dorpje met een kerk dat met de aanleg van het Schelde-Rijnkanaal ongeveer voor de helft is weggebaggerd. De andere helft ligt onder de toen aangelegde dijk en een stukje ligt nog binnendijks. Het was een langgerekt dorp met lintbebouwing. Het Schelde-Rijnkanaal is de nieuwe grens geworden tussen Noord-Brabant en Zeeland en daarmee werd niet alleen Zeeland groter in oostelijke richting maar kreeg onze provincie er een verdronken grensdorp bij. Het wegbaggeren vond plaats in 1974 en Polre is hiermee het meest recente verdronken dorp en nog niet opgenomen in de inventarisatie van verdronken dorpen in Zeeland.

Aan het Lange Water ligt ook het dorpje Slikkenburg  waar bij de Watersnoodramp in 1953 meer dan 70 slachtoffers vielen te betreuren; het is nu een gehucht.

Het doel dat de werkgroepen zich stellen is de -archeologisch complete- keramiek volledig te restaureren en bij te schilderen om te laten zien hoe het ooit is geweest. Wel dient de keramiek zich er voor te lenen. Indien ons doel geen meerwaarde heeft, dan blijft het bij het samenvoegen van de scherven en hooguit de ontbrekende delen opvullen met gips ter versteviging.

De werkgroepen hebben er in de laatste twee jaar vier nieuwe leden bij gekregen, waarvan twee junioren. Eén lid is gestopt, twee andere leden komen vanwege gezondheidsproblemen onregelmatig.

Naast restauratie van de bodemvondsten van ’t Waterhuisje  doen de werkgroepen ook restauraties van de collectie van de Heemkundekring Halchterth. Ook particulieren komen regelmatig met verzoeken om restauraties. Dit kan gaan om keramiek, porselein, schilderijen en vondsten uit tijd van Napoleon en WO II.  De werkgroepen hebben bijvoorbeeld ook de inhoud van een kerststal van 100 jaar geleden gerestaureerd.

Nieuwe leden zijn van harte welkom.

Anton van Oost



Leden van de werkgroep aan het werk in het Heemhuis te Halsteren.
Foto: Werkgroep fotografie Halsteren.
   
   

 
Jaarverslag 2018 Werkgroep Archeologie Hulst (WAH)
   
Na diep en ernstig beraad is de beslissing gevallen om verder te gaan als onafhankelijke stichting: Werkgroep archeologie Hulst (WAH) met een eigen statuut. De werkgroep wordt ondersteund door de Gemeente Hulst, middels huisvesting en  financiële subsidiëring, en op inhoudelijke wijze door de adviseur archeologie. De officiële akte passeerde de notaris op 23 februari 2018. In een schrijven aan alle stakeholders is een en ander bekend gemaakt.

Een deel van het voorjaar werd in beslag genomen door de voorbereiding van de tentoonstelling ‘Vechten tegen de Bierkaai’ in het museum ‘De Vier Ambachten’. Een unieke collectie militaria, rijk becommentarieerd, werd van juli tot november bezocht door vele geïnteresseerden. Zeker mag hier ook vermeld worden dat bij de opening WAH-secretaris Edie Bogaert  voor zijn jarenlange inzet als vrijwilliger werd gelauwerd. In het kader van deze tentoonstelling is ook verder onderzoek gebeurd naar het ‘museumkanon’ dat hierbij ook gerestaureerd werd.

Gespreid over het jaar geschiedde er veldonderzoek op diverse locaties: Kloosterzande, Zaamslag, Saeftinghe en Koewacht. Met wisselend resultaat,  maar de veldloop op de pleistocene rug in Koewacht bracht een schat aan mesolithische vuurstenen artefacten aan het licht. Analyse van de vondsten moet nog volgen.

In het voorjaar werd assistentie verleend bij de opgraving op de Houtmarkt in Hulst. Het najaar stond in het teken van de opgraving en het onderzoek van het voormalige Minderbroederklooster op het ’s Gravenhofplein – Brouwerij; kloostermuren werden in kaart gebracht en een aantal skeletten werden blootgelegd en onderzocht.

Heel het jaar door is er ook vlijtig aandacht besteed aan het voorbereiden van een educatief project dat moet resulteren in een aantal archeo-workshops voor scholen en jongeren in algemeen. Eind december konden we een aantal activiteiten aanbieden: vuursteenbewerking, vuur maken, graan malen, vondstdeterminatie, metaaldetectie en het (na)bouwen van megalitische monumenten zoals Stonehenge en hunebedden.

Verschillende leden hebben diverse boeiende studiedagen bijgewoond: ZAAD Middelburg, Archeologiemiddag Sluis en de Contactdag Archeologie Oost-Vlaanderen Ename. Daarnaast is in oktober door Mark Zwartelé een excursie geleid naar de sites in het Verdronken Land van Saeftinghe voor leden en werknemers van BAAC.

Een bewogen…maar een rijk gevuld jaar!

Frits van Velzen, voorzitter


Leden van de WAH bekijken een aangespoelde veenbonk. Foto: WAH.
   

 
Jaaroverzicht AWN-Zeeland 2018
   
Bestuurszaken

Romeins aardewerk determineren is vooral zoeken in boeken! Foto: Joost van den Berg.

Het bestuur van de AWN afdeling Zeeland werd in 2018 gevormd door waarnemend secretaris Dicky de Koning-Kastelijn, penningmeester Niek Beeke en algemeen bestuurslid Hans de Vos. De vacatures van voorzitter en secretaris zijn vacant.
Het aantal leden bedroeg op 31-12-2018 in Zeeland 113 en in West Brabant 26. We mochten 5 nieuwe leden verwelkomen. Tien leden zegden hun lidmaatschap op of hebben verzuimd hun contributie te betalen. Dit jaar moesten we helaas afscheid nemen van ons AWN-lid Gerry van Eeden, actief lid van de Werkgroep Archeologie Hulst (WAH).
Het bestuur vergaderde 6 keer in Middelburg over allerlei  lopende zaken.
De jaarvergadering werd dit jaar gehouden in het Streekmuseum te St. Annaland, met aansluitend een rondleiding door het museum.

Eén bestuurslid bezocht het Regio-overleg in Dordrecht en twee bestuursleden bezochten de afgevaardigdenvergadering in Amersfoort.
 
Activiteiten

Er werden in totaal zes excursies georganiseerd, waarvan er vier zijn gerealiseerd: Antwerpen (2x), Dordrecht en Westdorpe/Sas van Gent. De geplande excursie naar Ieper is wegens te weinig deelname niet doorgaan. De excursie naar Loon op Zand werd afgelast wegens het slechte weer.
Samen met de Heemkundige Kring De Bevelanden organiseerden we een lezing en een rondwandeling in Goes en in Sas van Gent.

 
Contacten

Het kwartaalblad Zuidwesterheem verscheen vier keer en wordt digitaal verspreid. Enkele leden, heemkundige kringen, musea en archieven ontvangen een gedrukt exemplaar.
Dit jaar werd ook gestart met een maandelijkse (digitale) nieuwsbrief om de leden tussentijds op de hoogte te houden.
Onze website, www.awnzeeland.nl wordt beheerd en onderhouden door bestuurslid en penningmeester Niek Beeke.
Dit jaar was er 5 maal overleg met Robert van Dierendonck, adviseur archeologie, over allerlei activiteiten van de AWN en de SCEZ. Ook de ZAAD, georganiseerd door de SCEZ, was dit jaar weer een groot succes. Vrijwilligers en beroepsarcheologen uit Zeeland en Vlaanderen ontmoetten elkaar op de ZAAD en genoten van de diverse presentaties.
Met adviseur Nathalie de Visser (Edufact) vergaderde de Werkgroep Archeologie Hulst (WAH) 6 maal in 2018 over allerlei archeologische activiteiten in Zeeuws-Vlaanderen.
De WAH werd begin 2018 een stichting.  De leden kwamen vrijwel elke woensdagmiddag bijeen in “Het Verdiep”  in het ‘s Landshuis. In Sluis wordt momenteel een werkgroep opgericht onder de naam Werkgroep Archeologie Sluis (WAS).
Ook was er regelmatig contact met de diverse werkgroepen in Zeeland en West-Brabant.

 
Samenwerking

De vergaderingen van het Provinciaal Platform Vrijwilligersorganisaties werden bijgewoond door Dicky de Koning namens het bestuur samen met AWN-lid Ruud van der Goes. Het Platform kwam 5 maal bijeen bij de SCEZ. Uit dit Platform zijn twee belangengroepen ontstaan, namelijk het netwerk Erfgoed en Publiek en Erfgoed en Ruimte. Onder begeleiding van de SCEZ (in 2019 verder gaande onder de naam  Erfgoed Zeeland) gaan de aangesloten organisaties zich samen inzetten voor het Zeeuwse erfgoed.
Aan het opzetten van een nieuwe wandelroute op Tholen door het team Wandelnetwerk van de SLZ (Stichting Landschapsbeheer Zeeland) , werd deelgenomen door Dicky de Koning. Het doel was om vooral archeologische, geologische en historische objecten en waarden op te nemen in de te kiezen wandelroutes.
De tentoonstelling: “Reymerswaal van stad naar archeologisch monument”, in samenwerking met het archief van de gemeente en de OAS archeologie (Oosterschelderegio Archeologisch Samenwerkingsverband) in het gemeentehuis in Tholen opgezet, werd begin januari opgeruimd.
Aan de vernieuwing en uitbreiding van de tentoonstelling over het zoutzieden in Arnemuiden in het ’t Stadthuys Arnemuiden kon Dicky de Koning een steentje bijdragen met foto’s en adviezen.  
Bij de opening van een nieuwe tentoonstelling in Goes (stadskantoor) met o.a. de geschiedenis van het zoutzieden, waren een aantal AWN-leden aanwezig. 
In het dorpshuis MeerWaarde in Waarde werd in oktober de tentoonstelling “De Zee neemt en de Zee geeft” vernieuwd. De meeste vondsten van Valkenisse gingen weer terug naar het depot in Middelburg. Nu zijn er vondsten uit Waarde, Valkenisse en ook veel vondsten uit het Verdronken Oud-Rilland te zien. Dit waren destijds de grootste dorpen op het eiland Rilland, tussen Honte en Hinkele.
Op uitnodiging van de Oudheidkundige Kring “De Vier Ambachten” zijn een aantal leden van de AWN en de WAH naar een lezing geweest van de metaalspecialisten Stefanie Hoss en Gerald Grimm over de betekenis van de bijzondere vondsten uit de Haven van Hulst.

   
Werkzaamheden  

Door enkele AWN’ers werd 9 maal gewerkt voor de AWN in onze werkruimte.
Voor het depot werd onder leiding van de depotbeheerder 52 maal gewerkt aan de projecten: Oud-Sabbinge, vondsten gracht Middelburg, Ten Heggeler, Van der Tuin, veldlopen Colijnsplaat, vondsten Cappendijk en aan de voorbereiding van de tentoonstelling in Waarde.
Op verzoek maakte Leida Goldschmitz voor het Stadhuismuseum te Zierikzee en de SCEZ rond de 100 tekeningen van voorwerpen uit de collectie van het museum.
Door diverse archeologische bedrijven werd dit jaar 27 maal informatie gevraagd betreffende eventueel bij de AWN bekende vondsten, gedaan op plaatsen waar in de toekomst bodemverstoring zal plaats vinden.
Door de WAD (Walcherse Archeologische Dienst) werd assistentie gevraagd voor veldwerk in de wijk Paauwenburg in Vlissingen (voorburg vliedberg) en op het terrein van kasteel Sandenburgh in Veere (boringen, weerstandsmeting)
Door de Gemeente Goes werd begeleiding gevraagd bij graafwerkzaamheden voor nieuwbouw aan de Voorstad in Goes, bij de aanleg van de spooronderdoorgang.
Voor het Stadhuismuseum in Zierikzee zijn scherven gewassen, is 2 maal gewerkt aan een educatief project en is 19 maal  verder gewerkt aan de archeologische catalogus. De WAH assisteerde 4 maal de archeologen van Artefact in Hulst en verleende 4 maal hulp bij het sorteren en bij het invoeren in de database bij Artefact in Zaamslag. De schenking Cappendijk werd uitgezocht en doorgegeven aan het depot in Middelburg.

Met betrekking tot het project “Leemte in Kennis” van de Gemeente Terneuzen werd een  informatieavond gehouden en 1 keer een veldloop in Zaamslag.
 
   
Educatie  

Onder leiding van Karel-Jan Kerckhaert hebben enkele leden zich bekwaamd in het digitale tekenprogramma Inkscape ter vervanging van het handmatig inkten van tekeningen. Het is de bedoeling dat de tekeningen worden opgenomen in het Deventer Systeem.
Vanuit de SCEZ werd een educatief project opgestart voor de AWN met als thema: de Romeinen in Zeeland. Hierbij kwamen de vondsten van de Meinersweg aan de orde, een opgraving van de AWN uit 1975  Daaraan gekoppeld werden schervenavonden georganiseerd door de depotbeheerder Joost van den Berg om de keramiek te determineren. Met een groepje geïnteresseerden, gemiddeld 6 personen, gaan we in 2019 verder.
Enkele AWN-leden namen deel aan de Contactdag Archeologie in het Erfgoedcentrum in Ename, waar een educatief programma over de archeologie in Oost-Vlaanderen werd gepresenteerd.
Op twee basisscholen in Waarde en Rilland werd een archeologieles gegeven.

 
   
Promoten AWN  

Op de Oostkapelsedag, de archeologiemiddag in Sluis en op de NAD konden we de AWN meer bekendheid geven. Zo ook bij het zoutzieden: 5 maal  op de “Middeleeuwse Dagen”  in het museum Terra Maris (Oostkapelle) en 2 maal  bij het bezoekerscentrum “De Kraaijenberg”  onder Bergen op Zoom.

Dicky de Koning.

 
 
Archief Archief